Illustratie Jenna Arts

De besneeuwde hemel van Viktor Fischer

Peinzen en pieken Als voetballer haalde de top net niet; ze dacht te veel na. Nu zoekt ze voormalig Ajax-talent Viktor Fischer op, in wie ze altijd een zielsverwant heeft gezien.

I ~ De geslaagde denker

20 januari 2013.

Het sneeuwt hard in Amsterdam, zo hard dat het dak van de ArenA het op een zeker moment begeeft en er een flinke hoeveelheid ijs doorheen valt. De wedstrijd tussen Ajax en Feyenoord moet worden stilgelegd, maar dat kan Man of the Match Viktor Fischer weinig schelen. Na de 1-0 en 2-0 voor zijn rekening te hebben genomen is hij gewisseld door coach Frank de Boer, en wanneer de sneeuw begint te vallen loopt Fischer niet weg maar juist naar de sneeuw toe. Laat maar komen, lijkt alles te zijn wat hij op én buiten een voetbalveld denkt.

„Was het niet gevaarlijk?”, vraagt Humberto Tan na afloop. „Gevaarlijk? Kom op man”, zegt hij. „Ik zag alleen een paar kleine sneeuwtjes. Dat is toch leuk?”

Zestien was Viktor Fischer toen hij door Ajax werd aangetrokken en uit het Deense Aarhus naar Amsterdam verhuisde. Op het moment van het interview is hij achttien en kent zijn Nederlands enkel nog wat schoonheidsfoutjes. In de rest van het gesprek spreekt hij over zijn twee treffers: de een nog mooier dan de ander. Bepalende goals van een bepalende speler, die een glansrijke toekomst wordt toegedicht.

‘Fischer moet, Fischer moet, Fischer dóét!’ – het waren de woorden van verslaggever Theo Reitsma tijdens Fischers eerste goal, en ze galmden bij mij nog na toen ik later die dag het restaurant binnensjokte waar ik sinds een paar maanden in dienst was. Brasserie Paardenburg heette het, gelegen in Ouderkerk aan de Amstel, en wat ik op dat moment nog niet wist: pal naast het huis van Fischers gastgezin. Het restaurant kon iedere avond rekenen op zo’n zeven klanten, en dat kwam mij goed uit: bij vrijwel elke plek waar ik tot dan toe had gewerkt was ik ontslagen, dermate dromerig dat ik de bestelling niet eens opnam.

Het enige dat ik bij Paardenburg hoefde te doen was voor het raam staan en vriendelijk glimlachen naar voorbijgangers in de hoop ze naar binnen te lokken. Nu liep er in de ijskoude winter van 2013 vrijwel niemand door Ouderkerk, dus bestonden mijn avonden slechts uit blikwisselingen met de Amstel zelf. De twintigste van januari leek wat dat betreft een avond te worden als alle andere: klaverjassende koks, een gespannen rondlopende manager en een blond meisje van achttien bij de deur, denkend aan Ajax.

Wat er rond een uur of zes gebeurde was dan ook als uit een droom: mijn grote Deense held op een iets te kleine fiets, waar hij voor mijn neus van afstapte. Zijn haren nog nat van het douchen, hier en daar een paar sneeuwtjes en om zijn schouder een grote sporttas. Het zou de eerste en laatste keer zijn dat ik vurig hoopte een voorbijganger naar binnen te zien stappen, maar die wens was vergeefs: spelend met zijn sleutels liep hij het aangrenzende huis in.

Illustratie Jenna Arts

Het moment dat hij uit zicht was liep ik met een noodgang naar de keuken. Mijn aanname in die tijd was dat je met werkelijk iedere man een goed gesprek kon voeren over voetbal, en in de keuken van Paardenburg zaten er maar liefst vier. Die verwachting bleek onjuist: de naam ‘Fischer’ deed bij niemand een belletje rinkelen en zelfs de Klassieker zelf was aan hen voorbijgegaan. Het enige wat Patrick, de chef-kok, zei, was: „Jij bent zelf toch een mislukte voetballer?” Hij keek daarbij niet op van zijn kaarten. „Ik ben niet mislukt”, antwoordde ik. „Ik dacht te veel na.”

„Mislukt dus”, mompelde hij. Aan het achterhoofd van Patrick begon ik vervolgens uit te leggen dat het er natuurlijk aan lag hoe je het bekeek, maar dat ik het toch zeker bíjna had geschopt tot nationale jeugdelftallen, bíjna tot de selectie van AZ, en met mijn huidige club Buitenveldert bíjna landskampioen was geworden van de hoogste amateurcompetitie.

Patrick draaide zich toen voor het eerst naar me toe, en zei: „Schat, dit leer je nog wel, maar bijna is niet helemaal.”

„Viktor Fischer is het anders helemaal”, was het enige dat ik nog wist uit te brengen, waarna ik weer terugschuifelde naar mijn vaste post. Het was iets waar niemand het op dat moment mee oneens kon zijn: Viktor Fischer wás het helemaal, hoe je het ook bekeek. Een bestormer van een besneeuwde hemel, die mijn hart gestolen had vanaf het moment dat hij in interviews aangaf een voorkeur te hebben voor moderne literatuur en zich in zijn vrije tijd te verdiepen in Italiaanse cinema. Hij dacht veel na, ja, dat zag hij zelf ook in – maar dat hoefde geen probleem te zijn. Denken, scoren, slagen: het was een zeldzame combinatie maar bij Viktor Fischer kon het allemaal.

II ~ Schijt hebben en acties maken

2 oktober 2020.

Fischer legt zijn hoofd op tafel en zucht. In de Kopenhaagse koffiebar waar we hebben afgesproken vraag ik hem of hij ertegenop zag een journalist te woord te staan, gezien de avond die hij achter de rug heeft. FC Kopenhagen, de club waar hij nu twee jaar speelt, is in de laatste voorronde van de Europa League uitgeschakeld door NK Rijeka – de nummer vier van de Kroatische competitie. Fischer werd gewisseld in de rust, en kon vanaf dat moment niets meer doen aan de beschamende 0-1 op het scorebord. Die stond op naam van zijn teamgenoot Peter Ankersen, met een eigen goal die snel daarna de hele wereld zou overgaan.

In de twintigste minuut geschiedde het onheil. De scheidsrechter past de voordeelregel toe na een overtreding op het middenveld, waarna de spits van NK Rijeka opstoomt. Er lijkt weinig aan de hand: de Kroatische nummer negen moet nog drie verdedigers van FC Kopenhagen voorbij. Maar dan gebeurt het: een van de twee centrale verdedigers verliest zonder heldere aanleiding zijn evenwicht, waarna zijn collega-verdediger over zijn benen struikelt en ze op elkaar belanden.

De spits dribbelt rustig verder en stift de bal over de uitkomende keeper heen. Die belandt op de lat en kaatst terug het veld in. Even lijkt het gevaar geweken, maar dan verschijnt de laatst overgebleven verdediger Ankersen in beeld. Hij staat precies op de verkeerde plek, krijgt de bal op zijn knie en valt ermee in het eigen doel. Hangend in het net ziet hij hoe de Kroaten hun voorsprong vieren, die ze de rest van het duel niet meer uit handen zullen geven.

Ik kijk de wedstrijd in een café om de hoek van het stadion, waar een gigantische man naast mij vanaf de eenentwintigste minuut alleen nog maar kruisjes slaat. Het laatste kwartier van de wedstrijd brengt hij door op de wc. Wanneer hij terugkomt kijkt hij me kort en hoopvol aan, maar ik schud van nee.

Na de wedstrijd bel ik Mikkel, mijn beste jeugdvriend, met wie ik tegelijkertijd op voetbal ging. Als kind van een Deense moeder is hij naar Kopenhagen verhuisd om daar te wonen en werken. Ik vertel hem wat er gebeurd is. „Sofie, er is een reden dat ik die club niet volg”, antwoordt hij. „Ik ben nu op een wijnproeverij. Ik probeer me hier eigenlijk aan te onttrekken.”

Van het café wandel ik terug naar mijn hotel, waar ik op mijn telefoon lees dat de coach van FC Kopenhagen dit moment aanduidt als het grootste dieptepunt in de dertien jaar dat hij het team traint.

Ik was blij dat er nog iemand in Amsterdam aan me dacht

Zelf hoop ik vooral dat Fischer het interview niet afzegt. Dat is in de maanden daarvoor meermaals gebeurd, omdat hij uit bijgeloof geen journalisten spreekt wanneer hij geblesseerd is. Vandaar dat ook ik al prevelend naar de wedstrijd gekeken heb, als de dood dat hij een tik op zijn enkels zou krijgen en ik voor niets naar het wegens Covid-maatregelen streng bewaakte Denemarken ben afgereisd.

De volgende ochtend krijg ik het verlossende bericht: hij is fit, en ziet me graag om twee uur.

„Ik was blij verrast dat er nog iemand in Amsterdam was die aan me dacht”, zegt hij wanneer hij zijn hoofd van tafel heeft gehaald. Over de wedstrijd wil hij het niet meer hebben: „Als voetballer leer je dat iedere crisis ook weer eindigt.” Hoewel zijn Nederlands vooralsnog vloeiend is, vraag ik hem of hij zich misschien comfortabeler voelt bij Engels. „Ik vrees dat ik te trots ben om het niet in het Nederlands te doen. Maar verbeter me alsjeblieft als ik een fout maak.”

Dat is precies waarover ik hem wil spreken: fouten maken, stilstaan bij begane fouten, en dat weer zo lang doen dat het stilstaan zelf misschien je volgende fout blijkt. En de hachelijke opdracht dáár niet te lang op te reflecteren. Het is het drama van de intellectueel begaafde voetballer: naast schieten, en dan niet nog eens schieten maar beginnen te peinzen waarom die eerste bal er niet inging.

Sinds die koude avond in januari 2013 is Viktor Fischer me alleen maar meer gaan intrigeren, hoewel zijn roem steeds verder afnam. Misschien wás ik ook de enige in Amsterdam die nog aan hem dacht, om de simpele reden dat mislukking me altijd meer heeft weten te fascineren dan succes – of dat wat we zo noemen. Met Tolstoj in het achterhoofd: alle variaties op succes doen aan elkaar denken, iedere mislukkeling is op haar eigen manier mislukt.

Het verhaal van Fischer is er een waarin ik het mijne herken, hoewel het om bovenstaande reden een volstrekt andere geschiedenis is.

Mijn eigen problemen ontstonden al vroeg, zo rond mijn vijftiende, spelend voor selectieteams van de KNVB. Onophoudelijke autoritten waren het, naar Zeist en soms verdere locaties. Mijn vader achter het stuur zei weinig en ik niet veel meer, maar in mijn hoofd was er een stem die van geen ophouden wist: ‘Gewoon géven.’ Gewoon geven: de steekpasses, de lobjes, de buitenkantjes rechts. „Schijt hebben en acties maken”, zoals Eljero Elia ooit zei.

In de kleedkamer begon die zin steeds verder weg te zakken, tussen meisjes die een stuk brutaler waren dan ik en zo nu en dan iets lieten vallen over de gymnasiumopleiding die ik deed. ‘VMBO Kanker School,’ was de benaming die zij aan hun eigen VMBO-Kader gaven. Tijdens de warming-up probeerde ik alle ruis naast me neer te leggen en met alle macht contact te maken met de Elia in mij. ‘Bestaat die überhaupt?’ schoot me dan te binnen, om vervolgens weer woedend te worden op de stem die dat zojuist gefluisterd had.

Vanaf de eerste minuut van de wedstrijd hield ik vast aan mijn oude mantra, maar alles wat ik gaf waren balletjes breed. In de rust kreeg ik de coach op mijn dak, die me vertelde: „Sofietje, even uit dat koppie treden. We zetten je niet voor niets op tien.” Tien is de benaming voor de meest centrale middenvelder, die als taak heeft om de aanvallers in scoringspositie te brengen – met steekpasses, lobjes, buitenkantjes rechts het liefst. Maar niemand die ooit naar mijn koppie vroeg en wat daar precies in omging, dus wat volgde was een tamme tweede helft en een minstens zo zwijgzame rit terug.

Illustratie Jenna Arts

De resterende jaren kunnen zich lang laten vertellen, maar misschien ook juist kort en in de woorden van chef Patrick: ‘Bijna is niet helemaal.’ Te weinig schijt en te veel angst, te veel koppie en te weinig sprekende voeten.

Waarmee ik mijn hoop vestigde op een jongen uit Aarhus die het wel leek te kunnen: peinzen en pieken tegelijk. Maar tegen de tijd dat ik mijn ontslag indiende bij Brasserie Paardenburg kreeg ook hij zijn eerste tegenslagen te verduren: blessures en kritiek, roepen om persoonlijke aandacht die door niemand werden beantwoord. Ook hij moest inzien dat er in de topsport een andere wet van zwaartekracht geldt: eentje die dubbel zo hard werkt. En dat wie eenmaal valt, zelden nog omhoog weet te komen.

III ~ Mads Mikkelsen

23 februari 2014.

Fischer grijpt al na negen minuten naar zijn hamstring en moet de wedstrijd tegen AZ voortijdig staken. Hij voorspelt binnen een week weer op het veld te staan, maar het loopt anders: de kwetsuur is ernstig en er staat een revalidatieperiode van rond de vijf maanden voor. Dat is al een eeuwigheid voor een voetballer van twintig, maar het wordt nog erger. Door een verkeerde diagnose wachten de artsen te lang met opereren, met het gevolg dat zijn herstel uiteindelijk veertien maanden duurt.

Veertien onzekere maanden, waarin het de ene week voortvarend gaat en het er de andere week op lijkt dat volop sprinten iets uit een ver verleden is. Dag in dag uit apart trainen, met niemand anders dan een fysiotherapeut en een gefrustreerde geest die zoveel meer wil dan het lichaam kan. Maar het lukt; Fischer herstelt en maakt in de lente van 2015 zijn rentree in het eerste van Ajax. Een maand later scoort hij twee keer in de afsluitende wedstrijd van het seizoen, waarna de journaliste van Ajax TV hem achteraf wijst op een huilende man in het publiek.

„Dat is mijn goede vriend Roy”, zegt Fischer, die zelf ook geëmotioneerd lijkt. Roy is nauw betrokken geweest bij zijn herstel, waarover de interviewster hem vraagt: „What doesn’t kill you makes you stronger – is het waar?” Hij antwoordt dat hij zonder twijfel gegroeid is in mentaal opzicht, maar dat nog moet blijken of hij nu een betere speler is.

Er volgt een moeilijk seizoen, waarin hij langzaam maar zeker uit de basis wordt gespeeld door aankoop Amin Younes. Na enige tijd te zijn teruggezet naar het tweede elftal belandde hij ten slotte zelfs even op de tribune. Frank de Boer misprijst zijn houding: een speler van het eerste hoort geen afwezige indruk te wekken wanneer hij bij Jong Ajax voetbalt, maar juist voorop te gaan in de strijd. Misplaatste arrogantie wordt het genoemd, hoewel het met een andere blik misschien eerder op zelftwijfel wijst.

De volgende zomer verlaat hij Ajax door de achterdeur. Geen Real Madrid of Manchester United, zoals in zijn beginjaren door velen werd voorspeld, maar het bescheiden en net gepromoveerde Middlesbrough FC in Engeland is de bestemming. Ook daar loopt het niet, en via een omzwerving bij het Duitse FSV Mainz 05 is Fischer begin 2018 terug bij af: in het thuisland, bij FC Kopenhagen.

„Ik was bij Ajax waarschijnlijk een stuk betere voetballer geworden wanneer trainers meer geprobeerd hadden me te begrijpen”, zegt Fischer. „Dat geldt trouwens niet alleen voor Ajax: ook voor de andere clubs in het buitenland waar ik daarna gespeeld heb. Toch zou het goed kunnen dat ze die poging wel degelijk gedaan hebben, en het op dat moment gewoon te lastig was om tot me door te dringen. Na Ajax heb ik misschien ook niet vaak genoeg bij coaches aangeklopt; verwachtte ik dat die dialoog simpelweg niet mogelijk was en hoopte ik het allemaal zelf uit te vinden.”

Ik vertel hem het verhaal van mijn eigen coach, in de tijd dat ik bij SC Buitenveldert speelde. Geen woord wisselde hij met zijn speelsters. Al het contact besteedde hij uit aan een speciaal daarvoor aangestelde mental coach, met wie ik zo nu en dan aan tafel schoof. Zonder uitzondering had hij daar één en een voor mij zeer bekende wijsheid in petto: „Meissie, denk alsjeblieft wat minder na.”

Fischer knikt instemmend. „Het is een beetje alsof je twee ouders spreekt, die zeggen: ‘Wij voeden onze kinderen niet op; daar hebben we mental coaches voor.’ Nou, daar krijg je dus weinig gezonde kinderen van. Het is een bijzonder makkelijke manier om met mensen en hun problemen om te gaan. Gewoon zeggen: ‘Je denkt te veel na, denk iets minder – dan word je goed.’ Kom op man, zo werkt het niet.

„Nu probeer ik mijn overpeinzingen vooral te bespreken met mensen die niet alleen iets van voetbal afweten, maar dingen lijken te begrijpen vanuit een breder perspectief. Mijn broer bijvoorbeeld, die ook op hoog niveau heeft gevoetbald maar als profspeler nooit is doorgebroken. Het is een verschrikkelijk slimme jongen die veel nadenkt, hoewel ik het uitblijven van zijn doorbraak daar niet aan zou willen wijten. Eerder denk ik dat er verschillende vormen van intelligentie zijn, en dat die van hem niet op de voetbalwereld was afgestemd. Daarnaast kun je het er lang of kort over hebben, maar uiteindelijk is de mate van talent toch doorslaggevend. Ik had meer talent dan mijn broer en kende om die reden meer successen. Succes maakt dat je minder denkt, bevestiging krijgt en daarom gewoon doorgaat.

Ik vraag me af hoe Messi en Ronaldo dit doen. Hoe zij denken. Óf ze denken.

„Als je echt heel goed wilt worden, moet je zo nu en dan kunnen accepteren dat dingen heel simpel zijn. Dat je simpel moet denken; soms zelfs niet zou hóéven denken. Zonder het voor de rest te verbinden aan het verloop van onze voetbalcarrières kan ik zeggen dat we daar allebei veel last van hebben gehad – denken, en misschien nog erger: het denken over het denken zelf. Het is heel belangrijk om op een gegeven moment in te zien dat je bepaalde kwesties moet laten voor wat ze zijn. Als je niet zo goed bent als je graag zou willen, moet je dat gewoon aanvaarden en niet ook nog eens dáárin blijven hangen. Soms vraag ik me af hoe Messi en Cristiano Ronaldo dit soort dingen aanpakken. Hoe zij denken, en óf ze überhaupt denken.

„Mocht ik na mijn loopbaan als voetballer doorgaan in deze wereld, dan zou ik coach willen worden. Ik zou de dingen iets anders aanpakken dan de meeste trainers op dit moment doen. Zo vaak heb ik me afgevraagd: waarom concentreer je je niet meer op de ménsen met wie je werkt, in de hoop daar het beste uit te krijgen, in plaats van op die eindeloze tactiek?”

Een meer menselijke coach worden: het is een van Fischers dromen. Maar niet de enige, want ook het kunstenaarsbestaan lonkt. „In de kern ben ik een entertainer. Acteren lijkt me om die reden fantastisch: meerdere rollen spelen dan enkel die van profvoetballer. Het is zeker niet uitgesloten dat ik me direct bij de acteerschool aanmeld wanneer ik met voetbal ben gestopt. Ik vind de artistieke wereld prachtig. De thema’s waar je je mee bezighoudt zijn gewoon een stuk groter dan in die van de voetballerij. Ga je naar links, dan scoor je niet. Ga je naar rechts, dan scoor je misschien wel. Dat zijn ónze vraagstukken. In de kunst gaat het om vragen van een heel andere orde. Bovendien probeer je met zijn allen iets moois te maken, en niet zozeer te slagen als individu. Zoiets is veel waardevoller. Toch meen ik het als ik zeg dat ik als voetballer nog nooit zo gemotiveerd ben geweest als nu. Bij FC Kopenhagen heb ik het op dit moment geweldig naar mijn zin, maar uiteindelijk zie ik het vooral als opstap naar een club elders in Europa.”

Viktor Fischer als de nieuwe Mads Mikkelsen: ik zie het helder voor me. De collectiviteit van de culturele sector laat mijns inziens te wensen over, maar ergens begrijp ik het. Het is een wereld waarin je mag wikken en wegen, naar links én rechts mag gaan zonder direct een schot op doel te lossen. Een zekere labiliteit wordt gewaardeerd, zo leerde ik ook toen ik het voetballen uiteindelijk inwisselde voor het schrijven. En misschien nog belangrijker: mislukking is er een zeer tijdelijk stempel. Val vooral, is het credo – zolang je ooit maar weer opstaat.

IV ~ Homosupporter

8 april 2019.

Fischer speelt zijn tweede seizoen voor FC Kopenhagen, en wint de uitwedstrijd tegen Odense BK met 0-1. Achteraf heeft niemand het over de goal van zijn collega N’Doye. Alle aandacht gaat uit naar de manier waarop Fischer het doelpunt vierde: met een handkus namelijk, gericht aan het uitpubliek.

De gehele wedstrijd is hij het mikpunt geweest van homofobe spreekkoren. Het is geenszins de eerste keer dat dit gebeurt, en hoewel het voor hem een raadsel is waarom spreekt Fischer zich na afloop fel uit: hij wordt uitgemaakt voor iets dat allang geen scheldwoord meer zou mogen zijn, en waar soortgelijke straffen op zouden moeten staan als voor leuzen van racistische aard. Geen wereld zo conservatief als die van de voetballerij, dus Fischer heeft er sindsdien een dagtaak aan om voet bij stuk te houden.

Illustratie Jenna Arts

Kankerhomo, dat is wat ze bij jullie zeggen, toch? Als zoiets op straat gebeurt, vraag je wat diegene zich in godsnaam in zijn hoofd heeft gehaald. Maar in een voetbalstadion niet: daar is het heel normaal. Geen enkele club doet er iets tegen, in Denemarken noch daarbuiten. Terwijl fans bepalen wat een club in de kern is. Dus als je aanhangers het zingen, zing je het eigenlijk als club zelf. Zoiets is een verschrikkelijk slecht signaal om af te geven aan de wereld.

„Het breekt mijn hart, als ik eerlijk ben. Moet je je voorstellen dat er een jongen of meisje in dat stadion zit, die al weet dat hij of zij gay is en de droom heeft om profvoetballer te worden – dan is dat waar het stopt. Je droom stopt, omdat je voelt dat je hier niet welkom bent. Dat kan niet zo zijn; dat mág niet zo zijn. En ik heb het nu over de fans, maar homofobie zit in iedere laag van de voetballerij.”

We krijgen een gesprek over het belang van voorbeelden en de vraag waarom nu juist homoseksualiteit zo’n groot taboe is in het voetbal. „Er bestaat een soort aanname dat alles wat met vrouwelijkheid te maken heeft zwak is, en een homoseksuele voetballer daarom altijd slechter zal zijn dan een heterospeler”, stelt hij. Het is de tweede keer deze middag dat Fischer zijn hoofd op tafel legt.

Zelf stapte ik op mijn zeventiende over van een jongensteam naar de damesselectie van SC Buitenveldert. Vóór die tijd was het jarenlang hetzelfde tafereel: wanneer het meezat kreeg ik mijn eigen kleedkamer voor de wedstrijd, met wat minder geluk kleedde ik me om op de wc. Weinig kreeg ik om die reden mee van de zogeheten kleedkamercultuur. Er ontstond voor mij een eigen soort cultuur, bestaande uit lege muren die steeds harder begonnen te spreken naarmate het fysieke verschil tussen mij en mijn teamgenoten groter werd. ‘Nooit denken dat je minder bent; dat ruiken ze,’ riepen ze op goede dagen.

Het was een initiatief van de KNVB: meisjes zolang mogelijk tussen de jongens laten voetballen, want daar worden ze sterker van. Nu ben ik altijd voorstander geweest van een minimalisering van het verschil tussen jongens en meisjes – een verschil dat naar mijn idee idealiter niet eens bestaat. Toch heb ik me achteraf vaak afgevraagd hoe vruchtbaar het is: één meisje tussen vijftien jongens, met nooit aflatende ogen in haar rug omdat ze weet dat één begane fout een wereld van vooroordelen bevestigt. Gewoon géven – ook nu weer dacht ik het, maar hoe vrijuit te voetballen als je na een verkeerde pass al weet welke grappen ze langs de zijlijn zullen maken?

Bij de damesselectie hoopte ik een cultuur aan te treffen met minder misogynie, minder homofobie en minder macho’s. Ik hoopte het niet; ik dacht het te weten. Maar gek genoeg werden ook hier huilende spelers voor ‘nicht’ uitgemaakt en besloten spelerscommissies dat een mannelijke coach noodzakelijk was: die straalde nu eenmaal meer autoriteit uit.

Haat, zo ontdekte ik, verdwijnt niet wanneer het bij nader inzien jezelf betreft. Het is een blik die zo roestvast in de voetballerij zit dat het haast niet anders kan dan je hem toe te eigenen. Wie maar lang genoeg voetbalt, begint vrouwelijkheid te wantrouwen – óók wanneer je een voetballende vrouw bent. En ik heb er nog steeds last van: wanneer ons vriendenteam matig speelt, schaam ik me niet tegenover alle vrouwen op het veld. Enkel tegenover de scheids, van wie ik al meen te weten wat er door zijn hoofd gaat.

„Ik word er zo moe van”, vervolgt Fischer. „Hoe meer ik erover spreek, hoe slechter ik het allemaal begrijp. Daarom ben ik nu de homosupporter. En ik weet niet of ik uit de kast zou durven komen, mocht ik zelf op jongens vallen. Het is voor mij erg makkelijk praten als jongen met een vriendin. Als ik kijk naar wat ík nu al voor mijn kiezen krijg, kan ik me alleen maar voorstellen hoe zwaar het moet zijn om te vertellen dat je daadwerkelijk homoseksueel bent.”

V ~ Een gelukkig mens

20 januari 2020.

De selectie van FC Kopenhagen is op trainingskamp in Portugal. Het team doet het goed in de competitie en heeft overwinterd in de Europa League. Een veelbelovende tweede seizoenshelft wacht, maar Fischer loopt na lange tijd fit te zijn geweest een liesblessure op die hem uiteindelijk negen maanden langs de kant zal houden. De sportieve schade is gigantisch: hij mist een spannende ontknoping van de Deense Superliga, en bovendien een Europees avontuur dat in de kwartfinale strandt tegen Manchester United.

Geluk is een aanhoudend gebrek aan schommelingen, besloot ik

„Het was een enorme teleurstelling”, zegt hij. „Terwijl mijn eerste seizoen bij Kopenhagen eigenlijk fantastisch verliep. Ik speelde goed, het team presteerde en ik was eindelijk blessurevrij. Alles ging vanzelf. Maar dat is het punt van voetbal: je kunt niet verwachten dat het almaar zo makkelijk gaat. Als je er maar een béétje over nadenkt kun je beter van het omgekeerde uitgaan – dat het moeilijk is, en er een paar momenten zijn die je dat even doen vergeten. Om die reden ben je als voetballer voortdurend op zoek naar momenten. Als je één keer scoort, nadat je tien weken niet goed hebt gespeeld en geworsteld hebt met je vorm, dan is die ene goal het allemaal wel waard.

„In die zin lijkt voetbal sterk op het leven zelf: er is een aanhoudend gebrek aan hoogtepunten, en er zijn daarom dagen dat je je afvraagt waar je het allemaal voor doet. Ik heb veel nagedacht over het verschil tussen geluk en ongeluk, en mijn huidige conclusie is dat het slechts een kwestie van contrasten is. Of je nu last hebt van depressies of juist heel goed in je vel zit – we zijn alsnog zo gelijk. Ik wil daarmee niets afdoen aan hoe vreselijk het is om depressief te zijn, mijn punt is vooral dat onze denkpatronen nog steeds erg dicht bij elkaar liggen. Voor iedereen geldt dat het een dagelijkse worsteling is, ook voor mij als gelukkig mens, en dat het dat ene moment, dat ene doelpunt is dat alles weer goedmaakt.”

Illustratie Jenna Arts

Wanneer we afscheid nemen, Fischer in zijn Mercedes stapt en ik in de metro op weg naar Mikkel, is dat de gedachte waarop ik mezelf betrap: wat gaat het toch eigenlijk goed met hem. Voetbal als laatste echo van een verworpen levensopvatting is het misschien, waarin geluk enkel op de piek te vinden is. Wie genoeg dalen meemaakt, besluit anders. Geluk is een langdurige afwezigheid van schommelingen, meen ik inmiddels, maar toch voel ik verbazing bij het idee dat Fischer ook zonder het wit van Real Madrid een tevreden man is.

„Wat duurt het toch lang voordat je een fractie minder dom bent”, vertel ik Mikkel wanneer hij me met een somber gezicht een biertje toeschuift. Mijn woorden lijken niet bepaald aan te komen. „Ik heb hem nu ook gezien, die eigen goal”, zucht hij. „Hij staat zelfs op Dumpert.”

Om hem af te leiden begin ik over AVV Swift, de club waar mijn ambities begonnen en Mikkel, na jarenlang meer aandacht te hebben gehad voor het gras dan de bal zelf, het uiteindelijk weer voor gezien hield. Mikkel zonder snikkel, was de bijnaam die hij overhield aan een weigering om samen te douchen. Snikkelloze vrienden werden we – voor het leven. Hij vraagt me of ik nu eindelijk antwoord heb: „Succesvol denken, bestaat het? Of zit het alleen maar in de weg?”

Ook die vraag bezorgt me het nodige gepeins, en na enige tijd besluit ik: „Je kunt het maar beter bíjna zijn. Viktor Fischer was het helemaal, want hij had het allemaal: het hoofd en het lijf. Misschien is dat het punt: dat het je maar beter aan één van die dingen kan ontbreken.” Mikkel neemt nog een grote slok van zijn Carlsberg en vraagt: „Bijna ís dus helemaal?”

„Bijna is helemaal”, antwoord ik. „Als je er maar een béétje over nadenkt.”