Sjeik Faisal Bin Qassim al-Thani (op de voorgrond). In het midden Kees Wieringa.

Foto privécollectie Kees Wieringa

Interview

‘We moeten echt blij zijn dat we hier kunnen zeggen wat we denken’

Kees Wieringa Hij schreef een boek over zijn ervaringen als museumdirecteur in Qatar. Een in eerste instantie droombaan met een topsalaris in een land van extreme verschillen. Maar de wil van de sjeik was altijd wet.

Hij is zenuwachtig, zegt Kees Wieringa (63). Na vier jaar in Qatar te hebben gewerkt als directeur van het Sjeik Faisal Bin Qassim al-Thani Museum is hij het ontwend om vrijuit te kunnen spreken. Jarenlang moest hij elk woord op een schaaltje wegen; de wil van de sjeik en zijn familieleden is immers wet, en een foutje, ontdekte hij al snel, kan in het dictatoriaal geregeerde woestijnstaatje grote gevolgen hebben.

Een maand nadat hij het land verliet publiceert Wieringa vrijdag Inshallah, een boek waarin hij openhartig verslag doet van zijn bestuurlijke ervaringen in Qatar. Een dijk van een salaris, ambitieuze plannen en een onbeperkt budget, het leek een droombaan.

In Nederland was hij als directeur van Museum Kranenburgh in Bergen tegen de grenzen van het kunstwereldje aangelopen. Altijd maar bezig zijn met subsidies, knokken met zijn raad van toezicht; het bijhouden van spreadsheets, zegt hij, leek belangrijker dan de inhoud.

In Qatar hoopte hij een nieuwe stap in zijn leven te zetten. In het begin ervoer hij zijn verblijf onder de zon als een verademing. Maar hoe vaker hij als werknemer van een van de koninklijke families achter de hoge paleismuren kwam, hoe duidelijker hij zicht kreeg op de schaduwzijden van de islamitische modelstaat. Hij voorspelt het land waar volgend jaar het wereldkampioenschap voetbal wordt georganiseerd, een sombere toekomst. Veel van de 350.000 superrijke Qatari omschrijft Wieringa als moderne slavendrijvers die denken dat geluk te koop is, en die zich in het verborgene vooral met seks en geld bezighouden.

Wieringa hoopt in Frankrijk een nieuwe start in de kunstwereld te maken. Van het fortuin dat hij in Qatar verdiende, kocht hij bij Fontainebleau een landgoed met een kasteeltje. Samen met zijn echtgenote, theatermaakster Moos d’Herripon, opent hij daar volgend jaar een cultuurcentrum.

Als museumdirecteur te gast in het paleis van de president van Malta, in het kader van de tentoonstelling ‘Cultures in Dialogue’.

Foto privécollectie Kees Wieringa

Als directeur van de al-Thani-collectie was u ook verantwoordelijk voor het Saddam Hussein Museum, met onder meer de onderbroeken, de persoonlijke wapens en de strop waarmee de Iraakse dictator werd opgehangen. Was u dat van tevoren verteld?

„Nee. Dat deel van het museumcomplex is overigens uitsluitend voor vips toegankelijk. Een adjunct-directeur van een groot Nederlands museum die langskwam voor een gesprek over samenwerking, zei tegen me: ‘Als je dat Saddam-museum niet uit de publiciteit weet te houden, kunnen we niet samenwerken.’ Toen ik daarna aan de sjeik vroeg of het wel verstandig was om met het Saddam-museum naar buiten te treden, antwoordde hij: ‘Ik wil het eerder groter maken dan kleiner.’ Saddam is voor een groot deel van de Arabische wereld een held, een groot leider. Ja, die samenwerking met het Nederlandse museum is doorgegaan.”

U schrijft dat op het gebied van moderne kunst weinig kan in Qatar. Is er wat veranderd? In 2013 maakte de Algerijnse kunstenaar Adel Abdessemed nog een opzienbarende, islam-kritische expositie in Doha.

„Dat was nog onder de vorige emir, een modern denkende man die ook nieuwszender Al Jazeera oprichtte. Zijn opvolger is veel conservatiever. De grote beeldengroep van Damien Hirst bij een ziekenhuis in Doha, over de ontwikkeling van een foetus, heeft hij een tijd weg laten halen, want: te provocatief. Sommige tentoonstellingen zijn onder de nieuwe emir afgelast, en wat wél doorgaat is soms window dressing.

„Ik heb als directeur best wat gerealiseerd. Toen ik wegging stonden er vier nieuwe musea en eentje in aanbouw. En ik ben vooral trots op een groot, nog altijd internationaal rondreizend project samen met Unesco, gebaseerd op de collectie van de sjeik, een dialoog tussen Oost en West. Maar zo’n discussie organiseren ging in het buitenland makkelijker dan in Qatar zelf. Kunst over politieke onderwerpen, dat is in Qatar nu bijna onmogelijk, net als alles met iets van bloot erin. Behalve uiteraard in de paleizen van de sjeiks. Nee, ik vind het niet correct om te vertellen wat ik daar heb zien hangen.”

Ondanks hun hedonistische gedrag bent u van de bedoeïenenslimheid van de familie al-Thani gaan houden. Waarom?

„In het museum stond de tent waarin de sjeik zestig jaar geleden nog leefde – zonder elektriciteit, zonder koeling, zonder educatie, enzovoorts. En nu is hij een van de rijkste mensen ter wereld. Je kunt hem en zijn familie moeilijk kwalijk nemen dat ze geen vloeiend Engels spreken en niet gestudeerd hebben. Dat ze hun besluiten bijna altijd op intuïtie nemen, is best wel eens irritant en ingewikkeld. Maar het heeft ook een bepaalde puurheid.”

Tegelijkertijd schetst u ook een heel ander beeld van de sjeiks. Op afgeschermde etages in de vijfsterrenhotels in Doha vermaken ze zich met alcohol, coke, viagra en chique escorts. Heeft u dat met eigen ogen gezien?

„Absoluut. Als je daar wat langer rondloopt zie je de drugshandel en de prostitutie. Het is een streng islamitisch land, maar alles is mogelijk zolang het ondergronds blijft. Wat zich achter de hoge paleismuren afspeelt, blijft onzichtbaar. Op feestje en recepties is het prostitutiegehalte vrij hoog. En jongeren gebruiken op grote schaal drugs, in tenten in de woestijn en op jachten op zee.”

Selfie Kees Wieringa bij het Sjeik Faisal Bin Qassim al-Thani Museum.

Zeggen, denken en doen zijn drie verschillende werelden in de islamitische cultuur, schrijft u. U paste zich aan: als de zoon van de sjeik weer eens met een krankjorum voorstel kwam, antwoordde u: ‘goed idee’.

„Dat vier jaar lang volhouden, was bijna niet te doen. Op het laatst lukte het me niet meer om nieuwe plannen nog serieus te nemen. Toen de familie kwam met een idee voor een nieuw, zes verdiepingen tellend museumgebouw en een ondergronds voetbalveld, dacht ik: nu is het genoeg.”

En hoe kwam u toen het land uit?

„De laatste paar maanden heb ik me heel braaf opgesteld. Op een nette manier heb ik toen afscheid kunnen nemen. Heel belangrijk.”

Was u de afgelopen vier jaar de best betaalde Nederlandse culturele bestuurder?

„Dat zou goed kunnen. Het salaris was niet verkeerd en je hoeft in Qatar geen belasting te betalen. Tegelijkertijd is het schrijnend wat ik daar meemaakte. Daarom heb ik ook dit boek geschreven. Niet als een afrekening, niet om na te trappen, niet om een islam-basher te zijn. Ik wil mijn ervaringen delen en verslag doen van mijn tweestrijd. Iemand die van binnenuit het land beschrijft, dat is volgens mij ook nog niet eerder gedaan.

„Ik hoop duidelijk te maken hoe verschrikkelijk het is om in onvrijheid te leven. We moeten echt blij zijn, dat we hier kunnen zeggen wat we denken. In religieuze landen als Qatar denkt iemand anders voor je.”

Hoe ziet u de toekomst van Qatar?

„Somber. Het is een samenleving in disbalans. Fantastisch dat het land zo investeert in cultuur, educatie en sport. Maar wat daar volledig ontbreekt is empathie. Toen ik een taxichauffeur in Doha eens vroeg waar hij vandaan kwam, begon de man te huilen. Die vraag was hem in vijf jaar tijd nog nooit gesteld. De 350.000 Qatari hebben nul belangstelling voor de ruim 2 miljoen gastarbeiders in hun land. Die totale desinteresse in andermans cultuur, dat gebrek aan compassie, gaat het land nekken.”

Durft u nog terug?

„Na dit boek is dat onmogelijk. Qatar vindt zijn eigen imago enorm belangrijk, op kritische verhalen zit men niet te wachten. Volgend jaar organiseert het land het WK voetbal, en men denkt al verder, ook aan Olympische Spelen.”

En nu?

„Samen met mijn vrouw begin ik mijn eigen kunstinstituut, de Fondation Yxie. Dat was een cultuurcentrum-in-oprichting in Alkmaar waar ik directeur van was. Tot de gemeente Alkmaar in 2012 de stekker eruit trok. Het gedachtegoed dat ik destijds voor dat centrum ontwikkelde, gaan we nu in Frankrijk alsnog verwezenlijken. Dat doen we in een kasteeltje op een landgoed van anderhalve hectare, met 650 vierkante meter bedrijfsruimte, inclusief een concertzaal en een theatertje. Daar gaan we tentoonstellingen, workshops en concerten organiseren. Ook komt er een artist-in-residenceprogramma. Ik ben jaren concertpianist geweest. Toen heb ik zelf ondervonden hoe fijn zulke plekken zijn waar je door andere kunstenaars geïnspireerd kunt raken.”

En dat alles met dank aan de familie al-Thani?

Lachend: „Indirect wel, ja. Om de verbouwing van het kasteeltje te kunnen financieren ben ik zelfs nog een paar maanden langer in Qatar blijven werken. Yxie is een vervolg op wat ik eerder als bestuurder meemaakte. In Nederland zat ik als directeur in de tang, moest ik voortdurend verantwoording afleggen, over subsidies, over bezoekersaantallen. In Qatar had ik financieel betreft veel meer vrijheid, maar had ik andere problemen. Yxie wordt de oogst. In Frankrijk hoop ik vrij te zijn: zonder dwang, zonder eisen van sponsoren of subsidiegevers, willen we de mensen inspireren door kunst.”