Recensie

Recensie Boeken

Leonard Cohen vulde zijn gitaar met tranen en veren

Popboek Een egomaniak, een Don Juan, een plagiator en een narcist was hij. En meer. In ‘Leonard Cohen, Untold Stories’ komen zijn oude liefdes, vrienden en kennissen over hem aan het woord. Het boek is geen hagiografie geworden.

Leonard Cohen (1934-2016) in 1967.
Leonard Cohen (1934-2016) in 1967. Foto Jack Robinson

Over leven en werk van Leonard Cohen (1934-2016) is het laatste woord nog niet geschreven. Voordat de Canadese zanger in 1967 doorbrak met het statige lied ‘Suzanne’ had hij al een half kunstenaarsleven als gelauwerd dichter en artistieke balling op het Griekse eiland Hydra achter de rug. Gitaar speelde hij sinds zijn jeugd, maar over zijn lage bromstem met beperkt toonbereik bleef hij lange tijd onzeker. Het armlastige dichterschap paste hem goed. Hij was een filosofisch ingestelde bohémien die geen waarde hechtte aan aardse bezittingen. Totdat hij op een autorit van Montreal naar New York een openbaring kreeg toen hij The Beatles op de radio hoorde. „Dat kan ik ook!” riep hij hardop uit.

De Canadese schrijver Michael Posner (1947) interviewde meer dan vijfhonderd mensen uit de directe omgeving van de charismatische dichter/zanger. Posner verzamelde zoveel materiaal dat de biografie Leonard Cohen, Untold Stories drie delen in beslag zal gaan nemen. Deel één The Early Years houdt op in 1971, bij het verschijnen van Cohens derde album Songs of Love and Hate. Als vorm kiest Posner de oral history: interviewcitaten van insiders in min of meer chronologische volgorde, met korte tussenteksten waarin de geschiedenis aan elkaar wordt gelijmd.

Zo’n opsomming van citaten is een tamelijk luie manier om een muzikantenleven in kaart te brengen, te meer omdat de geïnterviewden elkaar regelmatig drastisch tegenspreken. Cohens Russisch-Joodse moeder Masha was een imposante vrouw die afwisselend hartelijk, bedilzuchtig, gefrustreerd, liefhebbend, intimiderend en extreem bemoederend wordt genoemd, als we de meningen uit al die verschillende monden mogen geloven.

Veel aandacht is er voor Cohens achtergrond in het gegoede Joodse milieu van Montreal, waar katholieke kindermeisjes hem kennis lieten maken met christelijke waarden en rituelen. Van jongs af was Leonard Cohen geïnteresseerd in alle geloofsrichtingen: zo was er een Japanse kapper die hem de beginselen van het zenboeddhisme bijbracht. Later verdiepte hij zich een tijdlang in Scientology. Mensen in zijn omgeving zagen dat als een dwaalspoor, maar Cohen onderzocht alle mogelijkheden om zijn ziel te ontlasten en zijn geest te verruimen.

Hypnotiserend

Drank, drugs en vooral seks waren de brandstof waarop de jonge Leonard Cohen zijn dichterlijke inspiratie liet ontvlammen. Hij kon vrouwen hypnotiseren met zijn sonore stem en beschikte over een onweerstaanbare charme die hem bijna nooit alleen in bed liet belanden. Zijn Noorse vriendin Marianne Ihlen, met wie hij lange tijd op het Griekse Hydra verbleef, behandelde hij met een merkwaardige mengeling van aanbidding en desinteresse. Zeker drie keer onderging Ihlen een abortus, onthullen haar vriendinnen. Cohen wilde hoe dan ook geen kinderen van een niet-Joodse vrouw. De Summer of Love kwam er aan, niemand deed aan geboortebeperking en iedereen dook met iedereen in bed. Joni Mitchell, Janis Joplin en folkzangeres Julie Felix komen langs als bedpartners van Cohen. Zangeres Nico van The Velvet Underground moest hem niet, want ze viel op jongere mannen.

Een anekdote uit de zomer van 1967 is tekenend voor Cohens opportunisme bij het nastreven van een zangcarrière.

In New York ontmoette hij de dichter Ken Koch, een oude vriend uit zijn Griekse periode. „Hij vertelde me dat ik ook zanger van mijn eigen gedichten moest worden”, herinnert Koch zich. „Dat was geweldig want dan ontmoette je heel veel vrouwen, verdiende je veel meer geld en reisde je de hele wereld rond. Maar ik kan helemaal niet zingen, protesteerde ik. Dat is juist goed, zei Leonard, want dan kan niemand anders er met je materiaal vandoor gaan.”

The Early Years is bepaald geen hagiografie en dat maakt dit boek een mooie aanvulling op andere, meer doorwrochte biografieën. Leonard Cohen was een narcist en een egomaniak, zegt vriendin Linda Book over de Don Juan-neigingen van de zanger, die geobsedeerd was door het naakte vrouwenlichaam. „De woorden ‘naked’ en ‘body’ komen in al zijn teksten voor”, overdrijft Joni Mitchell, die vindt dat Cohens dichterschap was gestoeld op plagiaat van zijn grote voorbeelden Albert Camus en Federico García Lorca.

Andere vrouwen roemen juist zijn oorspronkelijke geest. Zoals Aviva Layton, die zich herinnert hoe hij zijn podiumangst bedwong door een concert te beginnen met de woorden: „Vandaag is mijn gitaar gevuld met tranen en veren.”