Opinie

De bloementuin

Vlak nadat opa naar het verzorgingstehuis verhuisde, stond ik voor de laatste keer in de tuin van het huis waarin mijn moeder was opgegroeid. De bloemen die nog door oma geplant waren, stonden vol in bloei. Rood, oranje, wit en roze. Ik had oma mijn hele leven door die tuin zien scharrelen. Op kaplaarsjes, in de weer met gietertjes en schaartjes. Het was niet alleen verdrietig om te denken dat ik hier nooit meer zou terugkeren, het voelde ook als een uitnodiging. Het was alsof ik oma’s stem kon horen. Ze zei: „Nu mag je je eigen bloementuin gaan zaaien.”

Maar er moest nog een boek af, over mijn Surinaamse voorouders. En voor hij er niet meer was, wilde ik weten wat mijn Nederlandse opa van zijn leven had geleerd.

Opa stierf eind vorig jaar, in de week waarin mijn boek uitkwam. Pas rond Kerstmis snapte ik wat dit betekende: ik was vrij. Het was tijd om oma’s opdracht aan te nemen, om met behulp van de lessen van de mensen die voor mij kwamen een eigen leven te beginnen.

Een van de mensen die ik ontmoette tijdens de zoektocht naar mijn Surinaamse voorouders was Josien Aluma-Tokoe. Net als ik stamde zij af van een inheemse medicijnman. Haar voorouders zongen liedjes, vertelde ze, voor alles wat leeft. Ze geloofden dat het leven een wil heeft, en dat je die wil kunt horen, als je begrijpt dat het leven spreekt via poëzie. Opa had dat waarschijnlijk onzin gevonden, toch lijken Josiens woorden veel op iets dat ik las in een boekje dat ik op opa’s zolder had gevonden, Bibeb in Holland. In 1958 had Bibeb een molenaarsvrouw geïnterviewd in de buurt van Roermond. „Je moet kunnen horen of er wind komt en wat die wind wil”, had ze verteld. „Dat is net als het luisteren naar muziek.”

Als ik iets begreep van de levens van mijn voorouders, dan is het dat het een goed idee is om die muziek iets meer ruimte te geven tussen de deadlines en het ge-Netflix.

Ik heb geen molen, geen landgoed en ik woon niet in de Amazone. Maar ik heb wel een balkon. Op de tiende verdieping van een flat, uitkijkend over de havens van Rotterdam. Op dit moment staat er alleen een asbak met drie uitgedrukte peuken. Ik heb ook een boekenkast vol met ongelezen boeken over de natuur. Ik ben begonnen met een boek uit 1966, genaamd Starting with roses. Uit een lijst met alle rozensoorten ter wereld heb ik een wensenlijstje samengesteld: de Prima ballerina (roze), de Christian Dior (paars), de Golden Shower (geel) en mijn favoriet: de Opera. „Big, full, with shapely bright carmine flowers.”

Dit is het plan: om mijn opa’s en oma’s en al het andere zingende leven dat voor mij kwam te eren, zal ik mijn treurige balkonnetje veranderen in een magische tuin. De komende zes maanden zal ik hier, tussen het asfalt en het beton, proberen uit te vogelen wat de opera wil.