Mona Lisa in het Louvre.

Foto Francois Le Diascorn/Getty Images

Bevrijd ons van het Mona Lisa- syndroom

Essay | Meer resonantie We willen aanraken en geraakt worden, maar kunnen het niet. Ook niet in musea. Nu niet omdat ze dicht zijn, straks niet omdat ze te vol zijn en wij te haastig.

Afgelopen najaar zag ik voor het eerst de Mona Lisa. Dat klinkt vreemd, natuurlijk. Als er één schilderij op deze wereld ‘gezien’ is, tijdens het weekendje Parijs met je ouders of schoolklas, of al was het maar als reproductie of parodie, is het wel La Gioconda van Leonardo Da Vinci. Het is een cliché van een cliché. Zelfs de deelnemers van De Slimste Mens zouden het herkennen, denk ik.

Het Louvre in Parijs, waar La Gioconda hangt, trekt in een normaal jaar zo’n tien miljoen bezoekers. Daarvan zegt tachtig procent enkel voor dat wereldberoemde doek te komen.

In november 2019 publiceerde The New York Times een opiniestuk van criticus Jason Farago, waarin werd voorgesteld het portret van ‘de Kim Kardashian van de 16de-eeuwse portretkunst’ uit het museum te verwijderen: het zorgde voor eindeloze opstoppingen en de drommen toeristen hadden geen oog voor de rest van het museum. Bovendien kreeg je, als je het opbracht uren in rij te staan, het schilderij maar een paar seconden te zien, van een enorme afstand, voordat je werd doorgeschoven door de meute die in je nek stond te hijgen.

Geen wonder, schreef Farago, dat in datzelfde jaar in een Britse enquête de Mona Lisa helemaal bovenaan eindigde op de lijst meest teleurstellende toeristische attracties – boven Checkpoint Charlie, de Spaanse Trappen en Manneke Pis.

Maak van de Mona Lisa in godsnaam een attractie met een eigen paviljoen, schreef Farago. Richt selfie-stations in, organiseer een spectaculaire opening met Kylian Mbappé en Carla Bruni – en zorg dat overal macarons te koop zijn. Laat het Louvre weer een museum worden.

Welk museum snakt er nu niet naar een lange rij? Wie wil er geen records breken, tijdslots instellen om de stroom belangstellenden aan te kunnen?

Het stukje cultuurkritiek van Farago is nauwelijks een jaar oud, maar het lijkt in een andere eeuw geschreven. Waar deze criticus over klaagt, onbehagen vanwege overvloed, ziet er nu uit als een gênant luxeprobleem. Welk museum snakt er nu niet naar een lange rij? Wie wil er geen records breken, tijdslots instellen om de stroom belangstellenden aan te kunnen?

Het Louvre trok het afgelopen jaar zeventig procent minder bezoekers – en dit jaar zal niet veel beter worden. Voor Nederlandse musea is de ramp niet minder groot. Was 2019 nog een ongekend topjaar, waarin 33 miljoen bezoekers de weg naar een Nederlands museum vonden, het afgelopen jaar daalde dat aantal met meer dan 65 procent.

Eind oktober van dat rampjaar, vlak voor de musea opnieuw op slot gingen, maakte ik een laatste rondje langs de grote Parijse musea. Voor de Mona Lisa hoefde ik slechts enkele minuten in de rij te staan. Daarna had ik het portret best lang voor mijzelf; ik kon het bekijken als schilderij, niet als attractie.

Ook in de andere grote musea – Orsay, Picasso, Beaubourg – nergens rijen, je kon zo doorlopen. Ik dwaalde urenlang door vrijwel verlaten zalen.

Het was een even treurige als intense ervaring.

Treurig omdat er weinig zo onnatuurlijk is als een leeg museum. Een verlaten museumzaal krijgt als vanzelf iets verweesd, iets spookachtigs. Wat is tentoongesteld vraagt erom door mensen bekeken te worden, gedachten en emoties op te roepen. Kunst wil ons aanraken. De kunst maakt het leven, schreef de Engels-Amerikaanse schrijver Henry James in een hartstochtelijke brief aan zijn collega H.G. Wells: „It is art that makes life, makes interest, makes importance, and I know of no substitute for the force and beauty of it’s process.”

Kunst maakt ons, ja, maar wij maken net zo goed de kunst. Het is onze blik die haar tot leven wekt.

Kunst maakt ons, ja, maar wij maken net zo goed de kunst. Het is onze blik die haar tot leven wekt.

Het was daarom ook een intense ervaring, dat laatste rondje langs de Parijse musea, omdat ik voor het eerst in de gelegenheid was zoveel beroemde werken als nieuw te zien. In de zaal met de Van Goghs in het Orsay staan gewoonlijk drommen toeristen, die met hun mobiele telefoons het zicht belemmeren. Ook als je geen foto’s neemt, blijft het bekijken van de doeken altijd een momentopname. Je werkt de meesterwerken een voor een af, meestal afgeleid door het teveel aan andere bezoekers. Je blik krijgt nauwelijks de kans zich te hechten.

Ik begrijp de impuls van bezoekers om alles snel te willen vastleggen met hun smartphone. Nu is niet het moment om door te dringen tot het kunstwerk, om het tentoongestelde doek, beeld of artefact in je op te nemen, om er een betekenisvolle relatie mee aan te gaan. Later, als je er tijd voor hebt. Het is de reden dat ik altijd de catalogus koop – die ik daarna zelden inkijk.

Die betekenisvolle relatie waar je in het museum naar op zoek bent, is wat de Duitse socioloog Hartmut Rosa resonantie noemt. Een mooi maar ook wat ongrijpbaar begrip. Je kunt de dingen aan je voorbij laten gaan zonder dat ze werkelijk indruk op je maken, of je kunt iets of iemand diep tot je laten doordringen, je er anders gezegd door laten aanraken – waardoor je zelf verandert.

Onmogelijk om resonantie te meten, het in cijfers en grafieken uit te drukken. Maar je weet wanneer je geraakt worden door iets, door een persoon, verhaal, landschap, muziek, schilderij, historisch voorwerp.

Die relatie met iets dat zich buiten je eigen hoofd bevindt, is altijd open. In een gesprek dat ik met hem voor NRC had, zei Hartmut Rosa:

„Ik geef meteen toe dat ik tijdens een bergwandeling ook steeds foto’s met mijn telefoon wil maken. In musea laten we ons leiden door de audiogids. Dat maakt resonantie mogelijk, want die audiogids opent onze blik naar bijvoorbeeld een schilderij, maar kan ons er ook voor afsluiten, wanneer we niet meer op onze eigen blik vertrouwen. Dan wordt het een kwestie van afvinken: zo, dat stilleven of meesterwerk heb ik gehad. Heel onze wereld wordt bij wijze van spreken steeds meer begeleid door een audiogids, die onze blik aanstuurt. Kijk hiernaar, let hierop.”

De socioloog ziet dat afstompen van onze blik als een van de grote kwesties van onze tijd. In onze maatschappij is men eropuit zo ongeveer alles wat er in ons leven toe doet te optimaliseren, wat ook steeds beter mogelijk is omdat zowat alles nu gemeten kan worden. Het gevaar, stelt de Duitse socioloog, is dat resonantie hierdoor onmogelijk wordt. We kijken niet echt meer, we openen onze blik niet langer.

Noem het het Mona Lisa-syndroom.

Iedereen kent het gevoel dat je in een gesprek, of kijkend uit het raam van de trein naar een landschap, of naar kunst in een museum, eigenlijk met je gedachten elders bent. Maar wat als de manier waarop we onze samenleving organiseren die resonantie steeds moeilijker maakt, in onze honger naar clicks, views, likes, targets, blockbusters, megasellers, rendement.

Iedereen kent het gevoel dat je in een gesprek, of kijkend uit het raam van de trein naar een landschap, of naar kunst in een museum, eigenlijk met je gedachten elders bent

Zoals Hartmut Rosa het tegen mij uitdrukte: „In onze samenleving gaat het niet over wat goed leven is, maar om het verwerven van zoveel mogelijk kapitaal. Ik heb het niet alleen over geld, maar ook over cultureel en sociaal kapitaal. En lichamelijk kapitaal, het verlangen er goed uit te zien.”

Het onbehagen in wat Rosa onze late moderniteit noemt, wordt breed gedeeld. Je zou zelfs kunnen zeggen dat achter heel wat onvrede in onze maatschappij, achter de woede, haat en opstandigheid, een verlangen naar resonantie, naar een opnieuw betekenisvolle relatie met onze omgeving, schuilgaat. We willen geen nummer zijn, we willen niet langer geoptimaliseerd worden tot data, statistiek en grafiek, we willen niet gestuurd en gemanipuleerd worden.

We willen niet als de koeien in een megastal zijn, die met prikkels en zachte mechanische dwang langs een uitgestippelde route naar de melkmachine geduwd worden, waardoor onze productiviteit optimaal zal zijn.

De mondiale crisis waar we ons in bevinden, deelt aan ieder van ons klappen uit, medisch en economisch, natuurlijk, maar zeker ook psychologisch. Juist dat laatste aspect van de crisis wordt door overheid en politiek schromelijk over het hoofd gezien. Veel mensen zijn neerslachtig of kwaad. Er wordt heftig verlangd naar de zuurstof die ons onthouden wordt.

In veel beschouwingen over de pandemie het afgelopen jaar ging het om de behoefte om aan te raken en aangeraakt te worden. We lazen over isolement en depressie. We zagen hoe kinderen tussen wal en schip belandden, we zagen bejaarde ouders vanachter een raam of plexiglas die niet door hun kinderen geknuffeld konden worden.

Mensen willen aanraken, hoorde je, en aangeraakt worden. Het woord ‘huidhonger’ werd korte tijd populair.

Die behoefte aan aanraking kun je ook breder zien. Want het gaat ook om de behoefte aan resonantie, de behoefte om een levende relatie aan te gaan met iets buiten jezelf, ervaringen te zoeken die transformatie en verandering beloven. Dat kan te midden van andere mensen zijn, maar ook in een van mensen verstoken natuur.

Het gaat om de behoefte aan resonantie, de behoefte om een levende relatie aan te gaan met iets buiten jezelf. Vooral in een museum

En in een museum.

Het museum is bij uitstek een plek waar resonantie wordt gezocht. Je wordt aangeraakt door iets dat buiten jezelf staat, een schilderij, een beeld, een gebruiksvoorwerp uit het verleden, een creatie voor de toekomst.

Maar, zoals gezegd, die resonantie kan ook uitblijven. De klacht van de kunstcriticus van The New York Times in 2019 was juist dat de massale populariteit van de Mona Lisa iedere resonantie onmogelijk maakte, niet alleen met het schilderij zelf, maar het hele museum. Dat zou te denken moeten geven. Er bestaat het gebrek aan resonantie vanwege te weinig, zoals we dat op dit moment beleven – maar er is ook gebrek aan resonantie vanwege een teveel.

Als deze crisis voorbij is, zal dit dilemma zich opnieuw aandienen, in verhevigde vorm. Er moet economisch ongelofelijk veel goed worden gemaakt. Ik voorspel, ondanks economische terugval, een enorme toeloop op musea, groot en klein, juist door dat verlangen in contact te komen met dingen buiten jezelf.

De honger is, ook bij mijzelf, groot.

Tegelijk bestaat het gevaar, zoals met die permanente file van mensen voor de Mona Lisa van vóór het rampjaar, dat wat zo snel en massaal gezocht wordt niet gevonden wordt, en tot teleurstelling en frustratie leidt. Een museum, welk museum dan ook, moet een plek voor resonantie zijn, zo ingericht en georganiseerd dat het ontstaan van echt contact mogelijk wordt.

En wat voor het museum geldt, geldt voor de samenleving als geheel. Als deze crisis ons ergens van heeft doordrongen, is dat we resonantie nodig hebben om betekenisvol te kunnen leven, om niet opgesloten te raken in onze eigen hoofd, met depressie en waan als gevolg.

Wanneer er na deze crisis over herstel gesproken gaat worden – en het zal over weinig anders gaan – moet het niet alleen gaan over economisch herstel, over inkomsten, rendement, bezoekersaantallen, maar vooral ook over herstel van dat ongrijpbare begrip, herstel van resonantie.

Dit is een ingekorte versie van een lezing, uitgesproken op de online nieuwjaarsbijeenkomst van de Museumvereniging.