Opinie

Pleit voor de beweeglijke waarheid

Marjoleine de Vos

Abraham zal dus, in gehoorzaamheid aan zijn God, zijn zoontje offeren. Hij bouwt een altaartje, legt zijn zoon erop, pakt zijn mes. Twee nazaten van Abraham, Jakob en zijn zoon Jozef praten daarover, Jakob voelt dat hij Jozef nooit op dat altaar zou kunnen leggen. Ze veronderstellen dat God dat ook niet zou willen, dat hij ook precies daarom dat bevel gaf „om je te laten ondervinden dat je het niet zou doen, omdat het eenvoudigweg een gruwel is voor mijn aangezicht”, schreef Thomas Mann in zijn Jozef en zijn broers. Dat wat mensen juist vinden en voor de waarheid houden – hier dat God mensenoffers zou verlangen – ligt niet onwrikbaar en voor altijd vast. „Uit onoplettendheid en ongehoorzaamheid vasthouden aan het verouderde, achterhaalde en daarin blijven leven”, schrijft Mann, dát is juist ‘zondig’. Verkeerd.

Het is een interessante en nog niet zo gemakkelijke gedachte, dat respect voor de waarheid juist een open oog voor verandering impliceert. Want wat is de waarheid dan? In ieder geval niet iets dat in het verleden ontdekt is en waar we naartoe terug kunnen keren.

In het laatste nummer van het tijdschrift Nexus, waarin verschillende schrijvers en essayisten een ‘hartenkreet’ slaken (ik ook), staat een essay van de Italiaanse filosoof en historicus Benedetto Croce (1866-1952) die in de jaren dertig in Italië waarschuwde tegen de geestesgesteldheid van het fascisme, en trouwens ook tegen het reëel existerende communisme, die beide de vrijheid van de mensen beknotten, zij het op verschillende manieren. Croce schrijft daarin over het „concept van het absolute en tegelijkertijd relatieve van elke waarheid”. Hij verbindt dat aan de noodzaak van voortdurende kritiek en zelfkritiek „waardoor de waarheid elk moment in ontwikkeling is en zich aanpast, samen met het leven dat in ontwikkeling is en zich aanpast”. Daar hebben we het weer: er is een waarheid maar die ligt niet vast, niet zo dat je altijd in gehoorzaamheid je zoon moet offeren, maar juist zo dat je leert inzien dat dat een gruwel is.

Die waarheid heeft alles te maken met gerechtigheid en vrijheid. Het nastreven daarvan kan tot bijzonder onrechtvaardige situaties leiden, in naam van de vrijheid neemt men soms de mensen hun vrijheid juist af. Hoe goed de bedoelingen misschien ook zijn – Croce kan zich bijvoorbeeld wel enigszins voorstellen dat de Russische revolutionairen gezien de situatie in Rusland deze weg op moesten gaan – het blijft zaak om in de gaten te houden waarnaar men ook weer streefde en welke waarden daarbij hoog gehouden moeten worden.

Het is onmogelijk om dit nu heel precies te gaan invullen met alles wat er op dit moment gebeurt – van coronamaatregelen tot antidemocratische groeperingen – dan zou je trouwens net doen of je het volledige overzicht had en nú al, als de toekomstige historicus, terug kon kijken op deze tijd. Ook daar waarschuwt Croce voor. Er is ook het déélnemen aan de geschiedenis, schrijft hij, het leven zelf dus. Daarin flonkert de waarheid soms tamelijk ongrijpbaar, maar moet iedereen tóch uitvinden wat-ie moet doen of juist laten in naam van al die grote bijkans vergoddelijkte begrippen als Waarheid, Rechtvaardigheid en Vrijheid.

In het uiterst slim in elkaar gezette Nexus-nummer volgt op het essay van Croce nog de onweerstaanbare brief van Thomas Mann aan de decaan van de Universiteit van Bonn die hem in 1936 zijn eredoctoraat ontnam, en vervolgens een stuk van de Hongaar Läszlo Földenyi over Europa en het Hongarije van Órban. Allemaal achter elkaar één groot pleidooi voor een beweeglijke waarheid, in het klein van het dagelijkse leven en het groot van de politiek. Nastrevenswaardig, ook al leven we nog zo in den blinde.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.