Boudewijn Chabot: „Het is hoogmoed om te denken dat we het virus er de komende maanden onder zullen krijgen.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

‘Het wordt tijd dat de ouderen zich gaan opofferen voor de jongeren’

Psychiater Boudewijn Chabot (79) wil niet naar de IC als hij ziek wordt. Meer ouderen moeten zich gaan opofferen, zegt hij. „Sterven hoort bij het leven, dat is wat we weer moeten leren aanvaarden.”

Boudewijn Chabot (79) vindt dat je alleen goed kunt sterven als je je erop voorbereidt. Living your dying, zoals de Amerikaanse psychotherapeut Stanley Keleman schreef. Het verbaast hem dat zo weinig mensen dat doen. Door de vooruitgang in de geneeskunde, zegt hij, leven we in de waan dat iedereen ver boven de tachtig kan worden en dat we daar ook recht op hebben. We blijven de dood als een vorm van falen zien, als iets dat koste wat kost vermeden moet worden. Maar nu met Covid-19, zegt hij, kunnen we dat niet langer volhouden.

Hij is psychiater voor ouderen, bekend door zijn adviezen hoe je waardig kunt sterven zonder een arts euthanasie te vragen. Hij promoveerde in 2007 op onderzoek naar ‘zelfeuthanasie’ door medicijnen of versterving (bewust afzien van eten en drinken) en schreef in 2014 mee aan een ‘handreiking’ voor artsen waarin staat hoe ze het lijden van mensen in de laatste fase kunnen verlichten.

Hij woont in Haarlem, in het huis uit 1910 van zijn grootmoeder. Het is een paar dagen na de invoering van de avondklok en hij zegt: „Het is goed dat de strengste maatregelen zijn genomen, want nu kunnen we zien dat die ook niet gaan werken, of maar voor korte tijd. Het virus schijnt zo flexibel en creatief te zijn dat het onze maatregelen tegen verspreiding weerstaat. Voordat we zijn ingeënt kan er een derde golf komen. Of er komt een nieuw virus, waar weer een nieuw vaccin tegen moet worden ontwikkeld. Het is hoogmoed om te denken dat we het er de komende maanden onder zullen krijgen, vooral ook omdat we er niet op gebouwd zijn om zo lang geen normaal contact met elkaar te hebben. Daar heeft de evolutie ons niet op voorbereid. We zijn geneigd bij elkaar te kruipen, zeker als de nood aan de man is. Je ziet het verzet nu groeien, en dan heb ik het niet over de rellen, die zijn afschuwelijk. Ik bedoel het ondergrondse, deels onbewuste verzet, waardoor volgens onderzoek driekwart van de mensen met verkoudheidsklachten toch de straat op gaat, de winkel in, en de helft zich niet laat testen. Ik bespeur het bij mezelf ook. Ik ben zaterdag naar een crematie geweest, dat had niet echt gehoeven. Volgens mijn dochter was het onverstandig. Gisteren heb ik gewandeld met een vriend. Hij moest me er regelmatig aan herinneren dat we” – hij strekt zijn arm opzij – „afstand moesten houden. De natuur is sterker dan de leer. Fysieke nabijheid is een levensbehoefte. Daardoor blijven de cijfers omlaag- en omhooggaan.”

Dus?

„Wordt het tijd dat de ouderen zich gaan opofferen voor de jongeren. Die moeten als de wiedeweerga naar school, ook naar de middelbare school. Studenten moeten normaal college krijgen. En ja, dan is er een groter risico op besmetting en daarmee op overlijden. Dan stuit je op de angst voor de dood. En de dood is een monster, hè. Tegelijk is het ook iets waar veel oude mensen naar uitkijken. Maar hij moet natuurlijk niet nu komen.

„Liever” – hij lacht – „nog even wachten, want als het erop aankomt is het toch wel erg eng. Ik ben al heel lang met de dood bezig en het idee dat het plotseling afgelopen kan zijn, is me zeer vertrouwd. En toch, als ik ’s nachts wakker lig kan de gedachte dat je compleet wordt uitgewist angstaanjagend op me afkomen. Zoals die man van die crematie zaterdag, zo onvoorstelbaar. Maar met daglicht erbij is het voor mij, als bijna tachtiger, toch te accepteren.”

Lees ook: Filosoof Marli Huijer: ‘Niemand heeft récht op een zo lang mogelijk leven’

Maar meer besmettingen leiden tot overbelasting van de ziekenhuizen.

„Daar moeten we ook mee ophouden, met dat idiote koersen op het aantal patiënten op de IC, ten koste van alle zorgmedewerkers, die al maanden op hun tandvlees lopen, en ten koste van patiënten met een andere levensbedreigende ziekte. Het aantal IC-bedden moet terug naar het normale niveau. Als ze vol liggen, krijgen jongeren voorrang op de ouderen.”

En dan?

„Van huisartsen hoor ik dat de meesten het met zuurstof, dexamethason en antibiotica gewoon overleven. Het irritante is dat je op allecijfers.nl niet kunt zien hoeveel ouderen aan Covid-19 doodgaan als ze thuisblijven. Je weet dus niet of dat er meer of minder zijn dan in het ziekenhuis. Anesthesisten zeiden in de eerste golf al: beademing van ouderen op de IC? Beter van niet. De lucht wordt onder druk de longen ingeblazen en dat beschadigt de longblaasjes. Het middenrif van mensen die zijn overleden, zit vol littekens. Ik heb vorig jaar maart al tegen mijn huisarts gezegd: nooit naar het ziekenhuis. Weet je hoe het daar gaat? ‘Meneer Chabot ademt wel heel oppervlakkig. Longarts, kom even langs.’ Die zal meneer Chabot naar de IC laten overplaatsen. Je bent machteloos, weerloos.”

Toch is het waarschijnlijker dat meer oude mensen doodgaan als ze niet naar de IC kunnen.

„Is dat erg? Het is minder erg dan de jongeren het fysieke contact met hun leeftijdgenoten onthouden. Hopelijk ben je omringd door je naasten en zul je niet, zoals in de verpleeghuizen tijdens de eerste golf, geïsoleerd worden. Zo sadistisch, dat eenzame doodgaan! De huisarts zal je lijden verzachten. Huisartsen zijn veel beter in palliatieve zorg dan artsen in het ziekenhuis. Wat ik heel interessant vind: de hoogleraar ouderengeneeskunde in Maastricht, Jos Schols, heeft aan mensen van boven de tachtig gevraagd of ze opgenomen willen worden als ze Covid-19 krijgen. 60 procent zei nee. Geweldig!”

Zeggen ze dat nog als ze Covid-19 hébben?

„Dat is de vraag, ja. ‘Laat mij maar gaan’, ik heb dat leren wantrouwen. En 40 procent zegt dus dat ze wél naar het ziekenhuis willen. 40 procent! Dat zijn nog steeds ontiegelijk veel mensen. Daar gaat maar een deel ziek van worden, en toch zullen we tegen hen moeten zeggen: sorry, de IC ligt vol, u wordt thuis behandeld.”

Dat kan een leuke opstand worden.

„Voor ouderen hoort sterven bij het leven. Dat is wat we weer moeten leren aanvaarden.

Lees ook: IC’s werden ontlast doordat oudere vaker thuis stierf

Ik zie dat nog niet gebeuren, want er is geen politiek leider die durft te zeggen dat we op een doodlopende weg zitten, en dat we de jonge generaties, van schoolgaande kinderen tot en met studenten, aan het verlammen zijn. We ondermijnen hun levenslust en hun zelfvertrouwen. Het is alleen maar: ‘Kom, nog even volhouden. We zijn er bijna.’ Nee, we zíjn er niet bijna. Misschien zijn we er nog lang niet. Iemand moet zeggen: ‘Het gaat niet, mensen, we gaan hier stuk aan, het roer moet om, vanaf nu ligt onze prioriteit bij de jongeren.’”

Hij staat op om een glas water te pakken. Als hij weer zit zegt hij: „De nieuwe Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, schreef vorige week in NRC dat ze de stem van dor hout was. Ze heeft een nare, levensbedreigende kraakbeenziekte. Het was een prachtig gedicht, maar toen ik het gelezen had dacht ik: nee, jij bent geen dor hout, je bent dertig, je wil leven. De dood accepteren als je zo jong bent? Ammehoela. Zij is de bloem aan het dorre hout van de toverhazelaar in het voorjaar. Mensen van mijn leeftijd, ja, die beginnen dorrig te worden.”

Hoe goed bent u op uw eigen dood voorbereid?

„Heel goed, en dat was ik op mijn negentiende al. Ik studeerde geneeskunde in Amsterdam en ik zakte op straat in elkaar. In het ziekenhuis werd een geperforeerde blindedarm geconstateerd. Dat was in 1960 en ik ben gered door de antibiotica. Mij zul je geen kritiek horen uiten op de medische vooruitgang. Daarna heb ik ook nog tbc, een aneurysma en een openhartoperatie overleefd. Maar dit terzijde. De koorts was zo hoog dat ik in een delier raakte. Ik trok het infuus uit mijn arm en kreeg toen de waan dat de punt van de naald was afgebroken. Die was via de bloedbaan op weg naar mijn hart. En nu komt het. Ik dacht: dan moet ik dood voordat die punt mijn hart bereikt, anders wordt het een heel pijnlijke dood. Ik was op mijn negentiende dus al bezig met beter zus dan zo sterven. Die ervaring is bepalend geweest voor mijn bewuste omgang met de dood.”

Hoe liep het af?

„De verpleging heeft me vastgebonden en platgespoten. En de koorts zakte.”

U zat als klein kind in een jappenkamp, waar de dood nooit ver weg was. Speelt dat mee?

„Speculatie. Maar uit de brieven van mijn moeder uit het kamp weet ik dat ik met dysenterie in de ziekenbarak heb gelegen, gescheiden van haar en mijn zusje. Op mijn zesde, na het kamp, zei ik: als ik doodga, wil ik weten waar jullie zijn, en dat jullie weten waar ik ben.”

Maar hoe bereidt u zich voor op de dood?

„Ik heb de goede middelen in huis en de mensen om me heen weten wat ik wil en waarom. Dus waar ben ik het bangst voor? Een hersenbloeding, want dan kan ik die middelen niet bereiken. En mijn vrouw gaat ze me niet geven. Het gevecht met haar is dat ik zeg: 24 uur wachten, pas als ik dan nog leef, mag je 112 bellen. Het liefst blijf ik ter plekke dood, maar vaak kom je bij en ben je radeloos. Mocht ik in het ziekenhuis belanden omdat ik op straat iets heb gekregen, dan weet mijn huisarts dat hij me daar weg moet halen. En mocht ik dan ook mijn middelen niet kunnen slikken, dan stop ik met drinken. Ik heb tegen de mensen om me heen gezegd dat ze me geen water mogen geven, ook al ga ik schreeuwen en word ik opstandig. De huisarts zal me palliatieve sedatie geven. Doodgaan op de manier die je wilt en niet onwaardig moeten voortleven is hard werken, dat hoor je wel.”

U denkt nooit: laat maar zitten, ik zie wel hoe het loopt?

„Nee, nee. Dat lijkt gemakkelijker, maar ik heb te vaak gezien dat mensen dan de dementie in sukkelen.”