De verdachte die zichzelf kon vrijpleiten

Wie: Jurist F. (49)

Kwestie: mishandeling thuis

Waar: politierechter Assen

De Zitting

Het was een ruzie zoals je die ’s zomers vaker hoort. Barbecueën in de tuin, drankje erbij, en ineens slaat de sfeer om. Wat begon met twee zoons die elkaar te lijf gingen met een ketchupfles, leidde tot een verbroken relatie en klappen bij de voordeur. Het is dat de heer des huizes het bewijsmateriaal onder een vergrootglas heeft gelegd. Anders was de kans groot geweest dat de strafzaak tegen hem anders was afgelopen. Maar daarover later meer.

Met beide zoons op de achterbank reed de vriendin om elf uur ’s avonds linea recta naar het politiebureau. Zij en haar vijftienjarige puberzoon beschuldigen de verdachte van mishandeling. Zij verklaarde dat hij haar zo hard had geduwd dat ze met haar hoofd op de stenen viel. En de puber beweerde dat verdachte hem had geschopt en zo hardhandig het huis had uitgewerkt dat het voordeurglas brak. Hij liep diepe sneeën op in zijn arm die gehecht moesten worden op de huisartsenpost.

Nog geen twee uur later stond de politie bij de verdachte op de stoep. Hij werd verhoord en vastgezet terwijl de politie buurtonderzoek ging doen. „Hiernaast was ’t weer dikke ruzie”, bevestigde een buurman, een ander zou de heer des huizes beschrijven als „een man die je niet tegen je wilt hebben”. Pas de volgende avond mocht hij gaan, met een straatverbod op zak: twee weken onder geen beding in de buurt komen van zijn ex.

Gespannen als een veer zit F. tegenover de politierechter. Als zij begint over de verwondingen van de vijftienjarige puber, houdt hij stug vol dat de jongen zelf z’n vuist door het voordeurglas heeft geslagen. Maar op die vuist zag de agent geen verwondingen, werpt de rechter tegen. Dus concludeert de politie dat hij onmogelijk zelf kan hebben geslagen. „Klinkt dat niet logisch?”

Nee, schudt de verdachte zijn hoofd, in het vaststellen van letsel is de politie niet deskundig. En als de rechter zijn voordeur bekijkt – half glas, half hout met een klink buiten, is op een foto te zien – dan moet ze zich kunnen voorstellen dat het anders is gegaan. Toen de puber begon te zuigen: „Kom dan”, heeft F. de deur op slot gedraaid en is de knaap met zijn volle gewicht op de voordeurklink gaan hangen. „En toen voelde ik een vuist door het raam komen.”

Als even later zijn vriendin haar koffers heeft gepakt en ontdekt dat zijn auto die van haar blokkeert, verplaatsen de schermutselingen zich naar de carport. Daar heeft de oudste zoon gefilmd. De telefoonbeelden in het strafdossier heeft de verdachte zelf geanalyseerd. Beelden en geluidsopnamen bestuderen is mijn vak, verklaart hij. Als jurist helpt hij oorlogsveteranen hun recht te halen.

F. heeft de videobeelden, seconde voor seconde, woord voor woord, uitgeschreven. En wat blijkt? Onder de carport vallen geen klappen. De verklaringen van de aangevers stroken niet met de filmbeelden. De verdachte haalt zijn auto weg. Nergens is te zien dat hij de vrouw tegen de grond werkt en de puber tegen het been trapt. Wel kafferen ze elkaar uit. F. maakt zijn ex uit voor „viswijf”, de puber scheldt „kankerclown” en timmert op de deur voordat z’n moeder hem de auto inroept.

Wat de politierechter „triggert”, is dat de filmende puber ook zegt: „Ik heb je”. „Waarom denkt hij dat als u niks verkeerd hebt gedaan?”

De verdachte heeft geen idee. „Was dit een opzetje om mij erbij te lappen? Hoe dan ook: ik meen dat ik onschuldig ben. Ik vind wel dat ik me verlaagd heb door te schreeuwen en te schelden.”

De vraag is: trekt de officier de verdenking van mishandeling in? Het gaat om „een vervelend familievoorval in de huiselijk geweldsfeer”, benadrukt hij. Is het gegaan zoals de aangevers zeggen of zoals de verdachte beweert? „Ze kunnen allebei een beetje gelijk hebben.” Die twijfel zorgt voor gebrek aan overtuiging. „Ik vraag om vrijspraak.” Dat juicht de raadsman toe, maar het onderzoek van de aspirant-agent noemt hij „een aanfluiting”. „Wij hebben zelf de ui afgepeld tot er niks van overbleef.”

Het speurwerk van de verdachte laat de rechter geen keuze. „De verklaringen van uw ex en haar zoon overtuigen mij niet”, oordeelt ze. „Ik kan niet anders dan u vrijspreken.”