‘De kennis over intersekse moet flink vergroot worden’

Emancipatie Voor het eerst zijn er cijfers over de acceptatie van intersekse personen. Veel respondenten weten niet wat dit betekent.

Een boot met mensen die aandacht vragen voor intersekse personen, tijdens de Utrecht Canal Pride in 2018.
Een boot met mensen die aandacht vragen voor intersekse personen, tijdens de Utrecht Canal Pride in 2018. Foto Berlinda van Dam/Hollandse Hoogte

Hoe meet je de opvattingen over iets waarvan de meeste mensen niet eens het bestaan kennen? Neem intersekse. In de laatste LHBT-monitor, waarmee het Sociaal en Cultureel Planbureau elke paar jaar onderzoekt hoe het staat met de acceptatie van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen, werd geconcludeerd dat opvattingen over intersekse personen nog nauwelijks in kaart zijn gebracht. Overheid en belangenorganisaties gebruiken echter al enkele jaren de afkorting ‘lhbti’ in beleid.

Daarom wilde het ministerie van OCW de acceptatie van, en kennis over, intersekse laten onderzoeken. Maandag werd deze ‘nulmeting’ door kenniscentrum Rutgers en Universitair Ziekenhuis Gent naar de Kamer gestuurd. Belangrijkste aanbeveling: de kennis over intersekse moet flink vergroot worden.

Dus wat is het? Intersekse personen hebben geslachtskenmerken die niet uitsluitend horen bij wat de samenleving als ‘man’ of ‘vrouw’ beschouwt. Dat is lang niet altijd zichtbaar; soms worden met die geslachtskenmerken hormonen, chromosomen of inwendige geslachtsorganen bedoeld.

Lees ook: Tussen man en vrouw: in 2020 braken 'X' en 'Die' pas echt door

Schattingen over het aantal intersekse Nederlanders lopen dan ook uiteen: van 0,5 tot ruim 1 procent van de bevolking. Dat heeft ook te maken met de onbekendheid van de term: van de duizend Nederlanders en duizend Vlamingen die de nulmeting invulden, dachten negen mensen dat ze zelf intersekse waren. Nadat ze de definitie hadden kregen, vielen daar acht vanaf én kwamen er 27 bij. De term wordt ook vaak verkeerd begrepen: net iets meer dan de helft van de respondenten zei de term intersekse niet te kennen, na de definitie steeg dat tot bijna driekwart.

Intersekse collega

En hoe staan ze dan tegenover intersekse personen? „Redelijk positief”, aldus de onderzoekers. Ruim 5 procent gaat „liever niet om met mensen die intersekse zijn”, maar voor bijna driekwart was dat geen probleem. Mannen en laagopgeleiden waren negatiever.

Bijna 3 procent van de Nederlanders gaf toe ‘moeite’ te hebben met een directe intersekse collega. Bij de Vlamingen lag dat percentage twee keer zo hoog. Met een transgender collega hadden de respondenten meer moeite, met homo- of biseksuele collega’s weer minder.

Op de vraag of ze er moeite mee zouden hebben als lhbti’er een relatie met een van hun kinderen zou hebben, scoorde ook de relatie met een transgender persoon het slechtst (13,8 procent), daarna intersekse (7,7) en lhb’ers (6,6). De Vlamingen hadden hier steeds net wat meer moeite mee.

De sociale acceptatie van intersekse personen lijkt dus net achter die van lhb’ers te lopen. „Al weet je niet zeker of de definitie van intersekse echt geland is”, zegt onderzoeker Jenneke van Ditzhuijzen van Rutgers. „Mensen krijgen weinig tijd daarover na te denken.” De bekendheid met de term is wel een belangrijke voorspeller, zegt Van Ditzhuijzen. „Als mensen meer kennis hebben over intersekse, wordt hun houding veel positiever.”