Recensie

Recensie

Atlas van een weerbarstige werkelijkheid

Eigentijdse muziekgeschiedenis Eindelijk is er een Nederlands boek over gecomponeerde muziek na 1945. De bundel essays schetst tendensen en biedt geen volledigheid. Maar je krijgt wel zin om veel nieuwe muziek te beluisteren.

John Cage in 1975 tijdens een uitvoering van ‘Child of Tree’
John Cage in 1975 tijdens een uitvoering van ‘Child of Tree Foto Courtesy of the John Cage Trust

In de tijd van Bach klonk alle muziek ongeveer als Bach, in Mozarts tijd min of meer als Mozart. Tegenwoordig is van zulke stilistische coherentie geen sprake meer, zelfs niet wanneer je pop- en wereldmuziek buiten beschouwing laat. Muziek ‘van hier en nu’, dat is evengoed de gewijde consonantie van Arvo Pärt als het oorverdovende geweld van Ben Frosts elektronische klanksculpturen. En lijn ontdekken in die veelheid is geen sinecure.

De Leuvense musicologiehoogleraar Mark Delaere en zijn twaalf overwegend Belgische co-auteurs willen met Een kleine muziekgeschiedenis van hier en nu een ‘handboek voor de ontdekkingsreiziger’ bieden.

Dat er daarom nu een Nederlandstalige muziekgeschiedenis van de naoorlogse periode ligt, is in zichzelf al een triomf. Eerder gaf Thea Derks met Een os op het dak (2018) een beknopte inleiding op de muziek sinds 1900, en Jacqueline Oskamp richtte in Een behoorlijk kabaal (2016) de blik op de laatste eeuw Nederlandse muziek. Maar een boek met de omvattende ambitie van Alex Ross’ The rest is noise(2007), hét standaardwerk over hedendaagse muziek, ontbrak tot nog toe in ons taalgebied. Dankzij het verfrissende Laaglandse perspectief van Delaere en co krijgen bijvoorbeeld serialist en later minimalist Karel Goeyvaerts en elektronicapionier Dick Raaijmakers de aandacht die ze verdienen.

Geen Sjostakovitsj en Bernstein

Delaere nuanceert de ambitie wel nadrukkelijk. Tegenover het meer pontificale stempel van Ross met zijn meeslepende verhalen, plaatst dit boek een ‘kleine’ muziekgeschiedenis, die ‘nieuwe esthetische tendensen in de klassieke muziek sinds 1950’ schetst. Dimitri Sjostakovitsj en Leonard Bernstein komen bij voorbeeld niet aan bod: die waren niet vernieuwend. Ook is het inherent aan een ‘kleine geschiedenis’ dat grote hedendaagse namen ontbreken (Olga Neuwirth, Unsuk Chin, Thomas Adès) of slechts in het voorbijgaan genoemd worden (David Lang, Georg Friedrich Haas). Wel is er een lang inleidend hoofdstuk over de moderne muziek van vóór 1950, waar de lezer in hoog tempo nogal droog langs Satie, Debussy, Bartók, Schönberg en vele anderen wordt geloodst. Iets meer lef om in medias res te duiken had het boek goed gedaan.

Het eerste deel bevat acht grofweg chronologische hoofdstukken over belangrijke ontwikkelingen – van stromingen als serialisme en minimal music tot New Complexity en ‘postmodernisme’, wat een beetje een vaag containerbegrip blijft.

De informatiedichtheid is hoog en sommige gidsen lijken in hun enthousiasme vergeten dat het noemen van een titel nog geen begrip teweegbrengt, laat staan een esthetische ervaring. In het algemeen wordt er meer aangestipt dan verteld – het is een handboek, de ontdekkingsreis moet je zelf maken, met je eigen oren. Gelukkig worden daarvoor wel voldoende suggesties aangereikt. Vooral de hoofdstukken over minimal music en elektronische muziek zijn heldere en pakkende teksten, die overzicht en inzicht knap combineren. Je krijgt zin in om plaatjes te draaien.

Maat 1 tot en met 6 Karlheinz Stockhausens Klavierstück I. De maatcijfers onthullen de basisreeks. Foto 1954, Universal Edition (London) Ltd., London

Verrassende invalshoeken

De tweede helft van het boek zoomt in op acht ‘sleutelbegrippen’. Dat ontsluit verrassende invalshoeken, zoals een interessante beschouwing over ‘de onthechting van het lichaam in het luisterproces’ in een hoofdstuk over ‘lichamelijkheid en virtualiteit’. Ook de historische wortels van multimedia, ruimtelijke klankprojectie, sampling en conceptuele muziek worden uitgeplozen. Een sterk hoofdstuk over muziek in het digitale tijdperk trekt trefzekere lijnen langs muziekpraktijken die nog volop in ontwikkeling zijn, en waarbij de grens tussen maker en publiek vaak vervaagt. Zo kan iedereen online zijn eigen commentaar en video’s toevoegen aan de partituur van Alexander Schuberts WIKI-PIANO.NET.

Anderzijds doet de thematische benadering soms arbitrair aan. Wat Schubert doet is digitaal, maar ook conceptueel. De link met ‘lichamelijkheid’ is duidelijk bij naaktperformances van Fluxus of een compositie die de motoriek van een dirigent tot klinken brengt. Maar in dat hoofdstuk staat ook een op zichzelf sterke duiding van de klanktaal van Iannis Xenakis, omdat zijn muziek luisteraars ‘een stomp in hun maag’ geeft. Een analyse van Stefan Prins’ indringende Generation kill (2012), waarin de Irak-oorlog als videogame wordt voorgesteld, gaat over virtualiteit, maar had ook gepast in het hoofdstuk over multimedia.

De lange schaduw van John Cage

Spijkers op laag water? Misschien. De gesignaleerde ‘tendensen’ zijn valide perspectieven die veelal boeiende essays opleveren. Maar door de fluïde scheidslijnen tussen de thema’s, de overlap en de frequente tijdssprongen, verliest het algehele betoog aan spankracht. Haast ieder sleutelbegrip leidt tot een terugblik op de jaren 50 en 60. De dode avant-gardisten Karlheinz Stockhausen en John Cage en de bejaarde minimalisten Steve Reich en Philip Glass werpen lange schaduwen, en de laatste drie decennia komen er in vergelijking wat bekaaid vanaf.

Niettemin kan iedereen met belangstelling voor nieuwe muziek genoeglijk op expeditie in deze atlas van een weerbarstige en veelkantige werkelijkheid.