Ik weet zeker dat huidhonger bestaat”, zegt verzorgende Pascalle Kramer.

Reportage

Op een dag viel het niet meer mee, in het zorghuis

Corona-uitbraak Lang bleef verpleeghuis In het Zomerpark in Nieuw-Vennep verschoond van corona. NRC volgde bewoners en medewerkers op de voet. „Ik dacht dat ik meer paniek zou voelen.”

‘Zoals wellicht bij u bekend, is Nederland getroffen door het coronavirus’, schrijft locatiemanager Mathilde Minderhoud op 12 maart aan bewoners van verpleeghuis In het Zomerpark in Nieuw-Vennep, een groot dorp in de Haarlemmermeerpolder, vlak onder Schiphol. Het is haar eerste brief over de coronacrisis. Activiteiten moeten worden verzet. „Onze excuses voor het eventuele ongemak.”

In een vergaderzaaltje op de begane grond komt de volgende dag, op 13 maart, voor de eerste keer een snel samengesteld crisisteam bij elkaar. Een specialist ouderengeneeskunde, een teammanager zorg, de facilitair manager en Mathilde Minderhoud. Eerste vraag van de besprekingen is: hoe gaat het? Elke dag is het antwoord: geen besmettingen. Gelukkig.

‘Rutte-momenten’, noemt Mathilde Minderhoud de persconferenties van de regering. Rutte-momenten zijn pijnlijk maar óók duidelijk. Op 20 maart hoort ze er dat bezoek in verpleeghuizen niet langer welkom is. Veel activiteiten worden niet langer verzet, maar afgezegd. In het Rutte-moment van een week later wordt gezegd dat verpleeghuisbewoners ook niet meer naar buiten mogen. „Het doet ons oprecht pijn u dit te moeten zeggen, maar het doet ons nog meer pijn als u ziek zou worden”, schrijft Minderhoud aan de bewoners. In het verpleeghuis wonen honderdtachtig mensen op vier verdiepingen. ‘De vierde’ betekent: de gesloten afdeling. Bewoners daar zijn verward, meestal dement. Op de andere verdiepingen wonen mensen met wie het om andere redenen thuis niet langer ging. Ze werkten vaak een leven lang in de bloembollen of voor KLM. Nu hebben ze gebroken heupen, doorzichtige slangetjes met zuurstof in hun neus, worden ze rondgereden in rolstoelen.

De schuifdeuren van In het Zomerpark blijven dicht. Familieleden laten bloemen en cake voor de verpleeghuismedewerkers achter. Bewoners schrijven ‘Bedankt!’ op het krijtbord op de gang. In die tijd wordt voor de zorg ook nog geklapt.

Dag 46 (sinds eerste bekende coronabesmetting in Nederland) – 13 april

Mathilde Minderhoud zit op Tweede Paasdag in de auto naar haar zoon in Amsterdam als haar telefoon gaat. Drie bewoners op dezelfde gang met symptomen. Het dreigende scenario is zorgelijk, het gaat om de vierde, daar kun je mensen niet uitleggen dat ze op hun kamer moeten blijven. Ze draait om, naar Nieuw-Vennep.

In haar carrière heeft Mathilde Minderhoud vaker crises meegemaakt. Ze werkte nog als verpleegkundige toen ze door het ziekenhuis werd opgeroepen te komen helpen na de Bijlmerramp. „Maar toen zat ik nog in de hulpverlenersrol.” De tweede crisis was bij In het Zomerpark, een jaar geleden. Een dementerende bewoner zette met zijn aansteker een stoel in de fik. Een flinke brand, geen gewonden of doden.

Van de coronacrisis is niet duidelijk wanneer het voorbij is. Voorlopig wordt het alleen maar erger. Maar de testuitslagen van de drie bewoners, die dezelfde dag nog binnenkomen, zijn negatief. Die avond wordt zoals elke dag in whatsappgroepen met medewerkers gevierd dat ze wéér een dag zonder besmettingen zijn doorgekomen. Welterusten!

Dag 53 – 20 april

Aan een lantaarnpaal op de parkeerplaats bungelt een geknutseld hart van karton. Riet, staat erop. De man van Riet, Dick Bloemendaal, hoopt dat Riet het vanuit haar kamer op de vierde verdieping kan zien. Riet begrijpt wel waarom Dick even niet op bezoek kan komen, zegt hij. Ze weet niet van corona maar wel „van iets”. „Ze zegt dat er oorlog is of de pest, soms denkt ze dat de afdeling is omsingeld door politie.” Vóór corona ging hij twee keer per dag op bezoek, nu de deuren dicht zitten gaat hij twee keer per week zwaaien onder haar raam. Verpleeghuismedewerkers zorgen dan dat Riet daar staat.

Dag 61 – 28 april

De schuifdeuren van In het Zomerpark zitten 33 dagen dicht. Mathilde Minderhoud staat bij de ingang, haar armen over elkaar van de kou. Ze kijkt op naar het gebouw dat bakstenen heeft in drie verschillende kleuren bruin en vertelt dat bewoners op hun kamer moeten blijven. „Zelfs de hal beneden is leeg.” Ondenkbaar in normale tijden. Dan komt de advocaatlucht uit het restaurant je soms tegemoet. Geroezemoes uit het restaurant, het suizen van elektrische rolstoelen en rollators. Geschuifel. Als je ouder bent, „hoef je niet meer parachute te springen”, zegt ze. „Maar het dagelijkse uitje naar het winkelcentrum wordt gemist.”

Minderhoud zegt dat het echt niet zo is dat mensen „hierbinnen zitten te verpieteren”. Maar na elke relativerende zin zegt ze iets als: „We moeten het niet mooier maken dan het is.” Of: „Ik wil echt niet zeggen dat de bewoners het nu leuk hebben.’’ Minderhoud blijkt ook in crisistijd een ‘we maken er het beste van’-type. Ze wil vooral kijken naar wat wel kan, zegt ze. „Zorg op maat.” Voor het weerzien van families heeft ze een container met een glazen wand in het midden op de parkeerplaats laten takelen.

Veel bewoners werkten hun leven lang op het nabijgelegen Schiphol, of in de bloembollen. Foto Olivier Middendorp

Dag 74 – 11 mei

Verpleeghuizen mogen weer open voor bezoek. „Alles wordt door de overheid losgelaten”, zegt Mathilde Minderhoud. „De boodschap is: bezoek komt. Maak zelf maar een passend plan. Terwijl wij eraan gewend waren geraakt dat alles door de overheid voor ons werd bepaald. Bezoek is een ding geworden”, zegt ze. Advocaat Liesbeth Zegveld heeft in de media gezegd dat verpleeghuizen met het bezoekverbod mensenrechten schenden. Minderhoud ziet ook nog een ander verhaal. Dat van bewoners en medewerkers die bang zijn. Die zeggen: ‘Maar wij hebben het toch al die tijd goed gedaan? Moeten we niet voorzichtig zijn?’ Maar goed, zegt Minderhoud, „ik begrijp ook wel dat je in een crisissituatie niet met alle belangen rekening kunt houden.”

Dag 109 – 15 juni

Als familie weer naar binnen mag, ziet Mathilde Minderhoud ze tot haar verbazing de koelkasten in de kamers opentrekken om te kijken of er geen etenswaren over de datum in liggen. „Alsof we de boel hebben laten verpieteren.”

Dick Bloemendaal is trots op zijn vrouw Riet. „Ze heeft zich dapper door de lockdown heengeslagen”, zegt hij. Andere bewoners van de vierde hebben wel ‘een behoorlijk jasje uitgedaan.’

Verzorgende Pascalle Kramer, die sinds maart bij In het Zomerpark werkt, weet niet of dat door de lockdown komt. Mensen met dementie kunnen in een paar maanden tijd hard achteruit gaan, zegt ze. Ze worden dunner, grauwer, praten en begrijpen minder, stoppen met lopen. Misschien ging het sneller omdat ze hun familie niet zagen. „Dat zullen we nooit weten.”

„Het is misschien een beetje raar om te zeggen”, zegt Kramer. „Maar de dagen zonder bezoek waren juist wel lekker rustig.” De lift zoefde niet meer tientallen keren per dag open en dicht, bewoners vergaten dat ze weg wilden, achterbleven. „We waren een soort gezinnetje geworden.”

Dag 118 – 24 juni

De brieven van Mathilde Minderhoud beginnen nog steeds met dezelfde woorden. „Bij het schrijven van deze brief kunnen wij gelukkig nog steeds constateren dat wij geen besmettingen in ons midden hebben.”

De zon schijnt fel. Minderhoud zit onder de parasol op het terras van het verpleeghuis. Ze draagt een zwarte jurk met witte polkadots – ze draagt altijd jurken. Bewoners en families zitten aan tafels. Alsof het een gewone dag is op een gewoon terras. „Dit voelt als een pauze”, zegt ze. Ze zegt dat ze „zeker in het begin van de pandemie” geluk hadden. „Er hoefde maar een medewerker op skivakantie te zijn geweest of naar carnaval en het had er misschien heel anders voorgestaan.” „Maar”, zegt ze: „Geluk is omlijst door onze hygiënemaatregelen.”

„Straks komt corona terug”, zegt ze. „Dat kan. En dat kan ook hier gebeuren, daar moeten we reëel over zijn.”

Dick neemt Riet mee uit rijden. Ze halen paling in Abbenes of haring in Lisse. Ze rijden rondjes langs alle huizen waar ze ooit woonden. Riet sprong in 1981 na een avond in de kroeg bij Dick achterop de fiets en ging nooit meer weg. Riet werkte in een speelgoedwinkel, Dick als ‘security officer’ op Schiphol-Oost.

Na zijn pensionering twee jaar geleden bleef Dick een man met oog voor details. Hij overhandigt een tijdlijn met de gezondheidsgeschiedenis van Riet. MS (2000), rolstoel (2003). Na de vijfde heupoperatie belandde ze in een delier. Onverwachts kwam ze niet meer thuis. „Vanuit revalidatie naar gesloten afdeling op de vierde (oktober 2019).”

Dag 224 – 8 oktober

Op een zonnige donderdagochtend, begin oktober, hangen twee bewoners voor de schuifdeuren van In het Zomerpark, hun scootmobielen vlak naast elkaar geparkeerd. Dááág, wuiven ze. Mathilde Minderhoud zegt even later in haar kantoor dat ze precies weet „wie die twee meneren” bij de ingang zijn. Als zij aan komt lopen, rijden ze meteen uit elkaar. „Het is echt te kinderachtig voor woorden”, verzucht ze. „Ik ben een soort juf op school.”

„Net als het gedoe met het restaurant”, voegt ze toe. In een brief aan bewoners heeft ze gedreigd met sluiting. Bezoek hield zich niet aan de coronaregels en reageerde kwaad tegen restaurantmedewerkers als ze aangesproken werden.

Mensen zijn „erg met zichzelf bezig”, zegt Minderhoud. „Wij vinden het fijn om bij elkaar te zitten”, zeggen bewoners dan. Maar in een verpleeghuis, zegt ze, kun je niet zeggen dat „het hun probleem is als ze ziek worden.”

Personeel is haar grootste zorg. In april was het ziekteverzuim 1,7 procent, nu 5,4. „Dat is niet slecht, maar het verschil zegt wel iets.” Medewerkers zijn moe geworden van de stress. Ze vallen langdurig uit en er is niet genoeg vervanging. „Alle bewoners krijgen medicijnen, eten, drinken, worden gewassen. Maar dat gaat niet meer uitgebreid en met een gezellig praatje.”

Foto Olivier Middendorp
Foto Olivier Middendorp
Naarmate de crisis langer duurt, vallen medewerkers steeds vaker uit door vermoeidheid en stress.
Foto’s Olivier Middendorp

Dag 256 – 9 november

Hoe gaat het? Het crisisteam van In het Zomerpark zit in een kring van eenpersoonstafels. De besmettingsdruk neemt toe, net als het aantal regels. Twee bewoners hebben een besmet kleinkind op bezoek gekregen. Ook een medewerker blijkt besmet te hebben gewerkt – ze is al de vierde die dat gebeurde. „Dat zegt ook wel iets”, zegt Minderhoud. „We houden echt rekening met alle maatregelen.”

Al sprak ze vanmorgen nog een medewerker aan die koffie met een bewoner zat te drinken en niet genoeg afstand hield.

Dag 263 – 16 november

Pascalle Kramer is, zegt ze, „niet van het klagen” en ook „eigenwijs”. Je hebt regels, richtlijnen, wetten, protocollen, maar daarmee heb je nog geen goede zorg. Op de vierde, haar afdeling , zijn de meeste bewoners dement. „Mensen die woorden niet meer begrijpen hebben aanrakingen nodig.” Ze vertelt over een vrouw die, alleen, op sterven lag. „Ze was alleen nog maar botjes.” Haar kinderen durfden niet meer langs. Vlak voor ze dood ging, deed Kramer haar mondkapje af om de vrouw een kus op haar voorhoofd te geven. „Ze was toch al stervende. Wat heeft het dan nog voor zin?”

‘Mensen die woorden niet meer begrijpen hebben aanrakingen nodig’

Pascalle Kramer verzorgende

Laatst had Riet een heldere dag. Dick had haar voor het eerst sinds de operatie meegenomen naar hun appartement in Hoofddorp, waar haar naam nog op het naambordje staat en haar favoriete koffie (caramel latte) in de kast. Als ze haar toevallig zouden tegenkomen bij de lift, had hij van tevoren tegen de buren gezegd, konden ze haar beter niet vragen of ze er weer was. Straks zou Riet nog denken dat ze weer bij Dick woont. Dick had soep gemaakt, ze aten samen. Daarna zei Riet tegen Dick: breng me nu maar weer naar huis – naar In het Zomerpark bedoelt ze dan. Dat zegt ze de laatste tijd steeds vaker.

Dag 265 – 18 november

De knutseltafel en de kast uit het vrijstaande huis van Ans Bovet (92) zijn onlangs in haar verpleeghuiskamer van dertig vierkante meter neergezet. „Als het echt goed ging, zat ik hier niet”, zegt ze. Maar nee, het gaat ook niet slecht. Op haar knutseltafel ligt een handje naturelchips op een servetje. Ze moest naar In het Zomerpark verhuizen door de doorzichtige zuurstofslangetjes in haar neus. Ze was bang dat ze ’s nachts zou stikken, in het verpleeghuis is altijd iemand in de buurt. Ze weet nog niet wat ze gaat doen als de pandemie voorbij is. „Dat is nog ver weg. Alles heeft zijn beloop”, zegt ze. „Nou, mam!”, zegt haar dochter Marianne.

Ans Bovet zegt dat ze wil koken. Pittige gerechten met rijst, anders dan de aardappelen die ze hier vaak om half zes voorgeschoteld krijgt. Dat ze naar winkels wil. Iets kopen wat ze niet nodig heeft. Een vestje passen. Flaneren. „Doen wat ik wil. Niet moeten wachten tot iemand mijn rolstoel komt duwen.”

Verzorgende Pascalle Kramer helpt bewoonster Riet Bloemendaal met eten, op de gesloten afdeling. Foto Olivier Middendorp

Dag 270 – 23 november

„Even rustig. Adem in, adem uit”, zegt Mathilde Minderhoud. Het crisisteam probeert coronabesmettingen op de vierde verdieping van het verpleeghuis in kaart te brengen, maar in het hoofd van de teammanager zorg lopen huiskamers en gangen door elkaar. Welke bewoner is waar geweest?

Minderhoud laat haar stift even zakken en zegt: „Denk goed na.”

Op het whiteboard in de vergaderzaal tekent ze een hoekige plattengrond met vijf rode bolletjes (besmette bewoners) en zwarte (gisteren negatief getest).

Ze wijst naar een zwart bolletje dat is omringd door rode. „Kan zij op haar kamer blijven?”
„Ja. Dat is die dame met de kat”, zegt de teammanager zorg. „Ze zegt steeds dat ze haar kindje moet beschermen tegen het virus.”
„Hoe vaak moeten we haar testen?”
„Ze is afgelopen week al vier keer getest”, zegt de specialist ouderengeneeskunde.
„Nou, dan weet ze hoe het werkt.”
„Je kunt erop wachten tot deze vrouw ook besmet raakt.”

Bewoners zijn niet heel ziek, zegt de medewerker die net van de vierde komt. Een meneer zat verloren met een beschuitje voor zijn neus. „Hij zei: ik weet gewoon niet wat ik ermee moet.”

„Oké, materialen”, zegt Minderhoud. „Afvalvaten moeten goed luchtdicht verpakt naar beneden en ook worden gedesinfecteerd.” Kleding moet op zestig graden worden gewassen. „Dat doet wel wat met je kleding natuurlijk.” Schoonmakers moeten nog worden geïnstrueerd. „Niet al onze schoonmakers zijn het Nederlands machtig. Hoe sturen we ze aan?” „Gaan we de lift naar de vierde met borden of met hekjes afzetten? En we moeten gaan nadenken over bezoek. Het zou mooi zijn als we iets kunnen bedenken.”

Na de vergadering zegt Minderhoud dat ze nog niet weet waar de besmetting vandaan komt. Ze heeft de medewerker gebeld die vorige week besmet bleek – maar zij had alleen aan de andere kant van de gang gewerkt. „Ze voelde zich meteen zo schuldig. Maar ja, ik ben er even niet voor haar schuldgevoel. Ik moet dit uitzoeken.”

„Het gekke is”, zegt Minderhoud: „Ik had gedacht dat ik het veel erger zou vinden, dat ik veel meer paniek zou voelen.” Ze heeft „heel snel de knop omgezet”. Voor het eerst heeft ze geen jurk aan, maar een spijkerbroek met een groot vest.

Dag 277 – 30 november

Het valt niet meer mee. Elke dag komen er positieve tests bij. Niet alleen op de vierde, door het hele huis. Waar de besmettingen vandaan komen? „Als ik daar het antwoord op had, zou ik heel gelukkig zijn”, zegt Mathilde Minderhoud. Tegen zichzelf blijft ze zeggen: dit gaat voorbij. „Ik kan niet anders dan hier rechtop door de gangen lopen en energie uitstralen.”

Dag 281 – 4 december

Dick krijgt maar lastig contact met Riet. Medewerkers komen niet aan videobellen toe. „Punt is dat ik dat beeld voor me heb van Riet in een rolstoel in de gang of kamer zonder enige vorm van afleiding”, zegt Dick. „Dat doet pijn.”

Foto Olivier Middendorp

Dag 285 – 8 december

„Ik ken jou niet”, zegt een bewoner telkens tegen Pascalle Kramer. Een andere wil niet meer eten en drinken. „Ze vindt ons eng”, zegt Kramer. Ze weet zelf ook niet meer wie er voor en naast haar staan: het kunnen medewerkers van andere vestigingen zijn, collega’s van een andere afdeling, flexkrachten. Ze zijn allemaal naar de plek gekomen waar ze normaal niet werken, om te helpen. Mathilde Minderhoud is blij dat ze het leger nog niet heeft hoeven bellen.

De telefoon rinkelt de hele dag door. „We doen ons best families op de hoogte te houden.”

De vierde is een ziekenhuisafdeling geworden, maar de medewerkers zijn nog een verpleeghuis gewend. Pascalle Kramer zegt dat „dingen door elkaar heen lopen”. Ze moeten zuurstof meten, toedienen. „Hier gebeurt veel voor de eerste keer.” Ze houdt geen handen vast, zit niet meer naast de bewoners als ze het moeilijk hebben. Ze blijft het liefst „zo ver mogelijk bij gezichten vandaan”. Bang om zelf besmet te raken.

Ook Riet heeft corona. Dick zag het in haar digitale dossier, dat leest hij elke ochtend zodra hij wakker wordt. Hij heeft nog niemand gesproken, zegt hij. Een paar uur later stuurt hij opgelucht een berichtje. Hij heeft met Riet kunnen videobellen. „Moest ook wel weer lachen want Riet heeft ouderwets de neiging de telefoon aan haar oor te houden zodat ik lange tijd in haar oor zat te kijken.”

Een bericht van Marianne Bovet: „In het Zomerpark gaat twee weken dicht. Ik heb er flink de balen in.”

„De meeste mensen begrijpen dat we dicht moeten”, zegt Mathilde Minderhoud. Van één familie kreeg ze een „Trump-achtige”-mail, maar dat heeft ze niet tegen haar medewerkers gezegd. „Ik sta als een kip om mijn kuikens.”

Dag 287 – 10 december

Lokale media schrijven over de uitbraak. Eerst het Witte Weekblad van Nieuw-Vennep, daarna NH Nieuws. Ze melden zeventig besmettingen. Mathilde Minderhoud neemt voor het eerst haar telefoon niet op.

Dag 293 – 16 december

Mathilde Minderhoud aan de telefoon, realistisch als altijd. Ze zegt dat verpleeghuizen „hier niet voor gebouwd zijn.” Mensen wonen te dicht bij elkaar. „En een intensive care heeft een sluisgebied, tussen gang en kamers, tussen schoon en besmet.”

„Bij een ic-verpleegkundige zit het misschien in de genen, een verpleeghuismedewerker is opgeleid om een zo huiselijk mogelijke sfeer te scheppen.”

Twaalf verpleegkundigen en alle drie de artsen zijn ook besmet geraakt. „Ik begrijp het virus nog steeds niet”, zegt ze. Met medewerkers praat ze veel over wat hen nu overkomt. Achteraf blijken op meerdere afdelingen mensen min of meer tegelijkertijd besmet geraakt, zegt Minderhoud. „Door medewerkers en door bezoekers.”

‘Een verpleeghuismedewerker is opgeleid om een zo huiselijk mogelijke sfeer te scheppen’

Mathilde Minderhoud locatiemanager

In de hele gemeente Haarlemmermeer waart het virus rond, zegt ze.

Nog tot Kerst is het verpleeghuis dicht. Er is Kerstversiering in de hal opgehangen en er klinkt Kerstmuziek. Het lukt haar om de gezelligheid daarvan in te zien, zegt ze. „Anderen hebben dat minder.”

Dick wordt weer steeds vaker door de medewerkers gebeld. Ze zeggen: je hoeft je geen zorgen te maken.

Dag 299 – 22 december

Op de vierde rolt een bewoner benauwd over zijn bed en de linoleumvloer van twee tinten geel. Hij trekt de zuurstofslangetjes steeds uit zijn neus. Een paar uur later is hij overleden. „Nummer vier”, zegt Pascalle Kramer.

Ze heeft voor het eerst op werk gehuild. Het was aan het bed van een bewoner die op sterven lag. Zijn kinderen stelden haar vragen waar ze geen antwoord op had. Heeft hij pijn? Gaat het lang duren voor hij doodgaat? „Dit is zo anders dan ik gewend ben.” Het antwoord op hun laatste vraag was geweest: nog een dag.

Ze doet iets „wat eigenlijk niet mag”. Kramer trekt soms, voor heel even maar, haar latex handschoentjes uit als ze bewoners met morfine van de ergste pijn verlost. Palliatieve sedatie in zorgjargon, het laatste bewuste moment van iemands leven. „Een laatste aanraking moet warm zijn, menselijk. Niet van plastic.”

Alle bewoners en medewerkers worden twee keer per week getest. Ans Bovet test ook positief. Het gekke is: ze heeft nergens last van. Haar kinderen kunnen het niet geloven. Ook de tweede keer test ze positief. Dan gaat ze zich slechter voelen. Ze krijgt antibiotica en prednison. „Je zag haar opknappen.” Marianne is er elke dag in beschermende kleding om voor haar moeder te zorgen. Als de kuur voorbij is, zakt ze weer in. In overleg starten ze nog een kuur. „De verpleging begon te sputteren”, zegt Marianne Bovet. „Is dit wel wat mevrouw wil? Moeten we dit wel doen?” Die vraag vindt Bovet lastig. Ze kent haar moeder. „Ze kan nogal dramatisch reageren.” Bovet kwam twee jaar geleden terug van vakantie toen haar moeder in het ziekenhuis lag. Ze zei haar dat ze naar een hospice ging, om te sterven. „Huh, waarom?”, zei Bovet. „Blijkbaar had ze net iets te vaak tegen medewerkers verzucht dat het van haar „zo niet hoefde”. Tegen mij zei ze iets heel anders.”

Dag 308 – 31 december

68 bewoners en 65 medewerkers raakten tijdens de uitbraak besmet. Zeventien bewoners zijn gestorven. Verpleeghuizen zijn gewend aan mensen die doodgaan. Maar de namen van de uitvaartondernemers kenden ze ook bij In het Zomerpark nog niet uit hun hoofd.

De uitbraak lijkt voorbij. Familie mag over een paar dagen weer naar binnen – veel bewoners zijn aan de beterende hand.

Pascalle Kramer werd er al over gebeld door een dochter. „Ze vroeg: als ik straks mijn moeder zie, mag ik haar dan knuffelen? ‘Van mij wel!’, antwoordde ik. Die mensen hebben het zo hard nodig. Ik weet zeker dat huidhonger bestaat. En corona heeft ze toch al gehad.”

Normaal klinkt geroezemoes in het restaurant, en het suizen van elektrische rolstoelen. Foto Olivier Middendorp

Dag 321 – 13 januari

Ans Bovet overleeft corona, maar de gevolgen ervan niet. „Ze ligt nu naar adem te happen”, zegt Marianne Bovet. Ik kan niet meer, heeft ze gezegd, het is klaar. „Dat hebben we gerespecteerd.”

Bovet was er niet bij de laatste week, ze was zelf besmet geraakt toen ze voor haar moeder zorgde.

„Ik heb personeel in mijn kwaadheid de schuld gegeven”, zegt ze. Het verpleeghuis was dicht. Hoe kon haar moeder anders besmet zijn? Daar is ze wel op teruggekomen. „De schuldigen lopen in China rond.” Ze heeft haar moeder samen met haar broer op een brancard uit haar kamer gereden. Toen de lift op de begane grond open schoof, stonden bewoners en medewerkers van In het Zomerpark ze op te wachten, „om hun laatste eer te betuigen.” „Het heeft me heel erg goed gedaan.” Haar broer zei achteraf dat hij al eerder met afscheid nemen was begonnen, maar Marianne was daar helemaal niet aan toe. Ze weet wel dat haar moeder oud was, maar „mama kwam altijd op één”. Ze schrikt nu steeds op van de gedachte dat ze een afspraak vergeten is. „Het is soms lastig om niet te denken: wat nu als er net een maand eerder een vaccinatie zou zijn geweest?”

Dag 326 – 18 januari

De kamer van Riet is aan het einde van de gang. Onderweg passeert Dick deuren waar foto’s van bewoners op hangen, gemaakt in jongere, gezonde tijden. Op sommige deuren zijn de foto’s weg. Op de vraag of die bewoners overleden zijn, begint Dick zachter te praten. Riet weet niet dat er mensen dood zijn gegaan. Voor het eerst staan er kamers op de vierde leeg.

Een ziekenhuisbed, appelgroene lakens, een raam dat niet open kan, uitzicht over de vinexwijk die het verpleeghuis omringt.

„Kijk uit voor je telefoon”, zegt Riet tegen Dick als hij op haar bed gaat zitten. Dick vertelt en Riet vult hem af en toe aan. Ze hebben al veel afscheid genomen. Van hun huis met een vijver in de tuin waar een bruggetje over liep (ze moesten naar een rolstoelvriendelijk huis), van hun favoriete strand in Indonesië (door haar ziekte kon Riet niet meer tegen warmte).

Op het tafeltje in de kamer van Riet staat een fles Beirão met twee bekertjes. Toen het nog mocht, kwam Dick elke avond langs voor een likeurtje.

„Binnenkort word ik honderd”, zegt Riet. „Je wordt honderd”, zegt Dick, „maar dat duurt nog wel twintig jaar.”

Terugkijkend op dit jaar zegt Dick dat hun relatie alleen maar sterker werd. „Thuis maak je nog weleens ruzie. Maar als je elkaar maar een uur per dag ziet, wil je die tijd zo fijn mogelijk besteden.”

Dag 330 – 22 januari

Pascalle Kramer vindt het lastig te geloven dat haar bewoners als een van de eersten worden gevaccineerd. „Nee joh!”, zegt ze tijdens de persconferentie. Je moet hun leven zo mooi mogelijk maken, vindt ze, niet zo lang mogelijk. „Ze gaan niet naar Italiaanse les of naar een kookcursus. Ze gaan naar het witte licht of het zwarte gat.”

Maar de box met vaccinatievloeistof is op 22 januari bij de schuifdeur van In het Zomerpark voorzichtig in ontvangst genomen, direct naar een kantoortje getild, niet meer alleen gelaten. „Het is een schaars goedje.” Medewerkers zuigen de doorzichtige vloeistof uit de kleine potjes één voor één in spuiten, brengen ze in kartonnen bekkentjes naar het prikteam, bestaande uit twee vrouwen, die ze liefdevol in de armen van de bewoners spuiten.

„Riet, lieverd, kom eens”, zegt Kramer. „Waar ben je dan?”, vraagt Riet. „Achter je schat!” Kramer rijdt Riet naar het prikteam in de huiskamer. Alle bewoners hebben taart gekregen. Met sierlijke letters staat op een krijtbord ‘geniet van elke dag!’ geschreven. Op de televisie staat het nieuws aan. Een presentator vertelt over de nieuwe, besmettelijker Britse variant.