Ministerie: AOW na 45 jaar arbeid stuit op vele bezwaren

Vroegpensioen Mogen Nederlanders na 45 jaar arbeid stoppen met werken? Het kabinet was bereid dit serieus te onderzoeken – vooral voor laagopgeleiden – maar stuit nu op praktische belemmeringen.

Stratenmaker aan het werk in Rotterdam. Het kabinet onderzocht of met name laagopgeleiden na 45 jaar arbeid met pensioen kunnen, maar dat stuit op diverse praktische problemen.
Stratenmaker aan het werk in Rotterdam. Het kabinet onderzocht of met name laagopgeleiden na 45 jaar arbeid met pensioen kunnen, maar dat stuit op diverse praktische problemen. Foto ROBIN UTRECHT/ANP

Het wordt buitengewoon ingewikkeld om Nederlanders recht te geven op een AOW-uitkering, of een soortgelijke regeling, als ze een bepaald aantal jaren gewerkt hebben, bijvoorbeeld 45. Dat blijkt uit een vrijdag verschenen onderzoek door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het pensioenakkoord van 2019 had het kabinet beloofd dat serieus naar deze optie gekeken zou worden.

Al sinds de invoering van een stijgende AOW-leeftijd, in 2013, is er discussie over het negatieve effect voor met name laagopgeleiden: zij beginnen gemiddeld eerder met werken, doen fysiek zwaarder werk, en leven korter.

Een vroegpensioenregeling voor mensen met zware beroepen werd eerder al onmogelijk geacht: werkgevers en vakbonden konden geen duidelijk onderscheid maken tussen zware en niet-zware beroepen.

Lees ook: Wat is zwaar werk, en wat niet?

In het pensioenakkoord van 2019 hebben het kabinet, vakbonden en werkgevers daarom een tijdelijke oplossing bedacht: van 2021 tot en met 2025 kunnen bedrijven hun personeel gemakkelijker met vroegpensioen sturen. Nu moeten ze nog een forse boeteheffing betalen over het bedrag dat ze hun werknemer meegeven om de periode tot de AOW-leeftijd te overbruggen. Die boete is, onder voorwaarden, afgeschaft.

Voor de periode ná 2025 zou onderzocht worden of werkenden na een bepaald aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45, recht kunnen krijgen op een AOW-uitkering. Daar waren toen al grote twijfels over, die nu dus in dit rapport concreet naar voren komen.

Gebrek informatie loopbaan

Een grote belemmering is dat geen enkele overheidsinstantie tot 1998 heeft bijgehouden wat voor werk Nederlanders hebben gedaan – en voor hoe lang. Ook de informatie van pensioenuitvoerders is „onvolledig” meldt het rapport. Van zelfstandigen heeft de overheid nog minder informatie: tot twaalf jaar geleden.

Opvallend is verder dat zo’n regeling niet in het bijzonder laagopgeleiden zal helpen. „Middelbaar en hoger opgeleiden vormen samen in absolute aantallen het merendeel van de groep werkenden met 45 dienstjaren”, staat in het rapport. Een alternatieve regeling voor alleen laagopgeleiden is ook niet haalbaar, want de informatie in het diplomaregister gaat eveneens niet ver genoeg terug.

Verder kan de regeling bijzonder duur worden: rond 2038 zou het de schatkist al zo’n 5 miljard euro per jaar kosten.

En er zijn juridische bezwaren rond gelijke behandeling. Migranten en vrouwen blijken veel minder vaak een arbeidsverleden van 45 jaar te behalen. Vrouwen hebben bijvoorbeeld vaker loopbaanonderbrekingen. Overheidsregelingen mogen niet zomaar onderscheid maken naar geslacht, ook niet indirect.

Ondanks al deze bezwaren ziet vakbond FNV nog mogelijkheden om een dergelijke regeling op te zetten, meldt vicevoorzitter Tuur Elzinga in een schriftelijke reactie. Hij wil „snel tot afspraken komen” met het kabinet en de sociale partners over een „permanente regeling” waarmee vooral mensen met een zwaar beroep eerder kunnen stoppen met werken.