IFFR anno nu: omgebouwde woonkamers, films in de klas

Filmfestival Geen films in de zalen, geen damp op de ruiten van Hotel Central en niet die gedroomde première. Toch is IFFR wel aanwezig in Rotterdam. „Je kunt op één kaartje met het hele huishouden kijken.”

Door de stad staan green-screen-groene objecten die toegang geven tot filmfragmenten.
Door de stad staan green-screen-groene objecten die toegang geven tot filmfragmenten. Foto IFFR/VollaersZwart

Op het kantoor van IFFR waren ze klaar voor een festival in lockdowntijd. Zakelijk directeur Marjan van der Haar: „Bij de tweede, grote persconferentie keken we elkaar aan en zeiden we: ‘hmm’. Zeker als je bedenkt dat februari normaal al de piek van de griepcurve is. We hebben toen het festival zo ingericht, dat we konden terugschakelen naar het scenario van alleen online.” Daarnaast besloten ze het publieke bezoek te spreiden en een programma van februari tot en met juni aan te bieden.

„Als je loslaat dat je van alles mist en gaat kijken wat er wél kan, vind ik het eigenlijk ontzettend leuk. Alles is nieuw en spannend. Vorige week zijn we gestart met het ontvangen van de filmmakers online, om kennis te maken en hen voor te bereiden op de digitale ervaring, hoe dat met het publiek zal zijn, hoe ze professionals kunnen ontmoeten. Zo kunnen we er met elkaar toch meer dan alleen een film kijken van maken.”

Foto David van Dam

Dat online kijken kan dan ook op twee manieren. Zo zijn er online premières waarbij je op een bepaald tijdslot kijkt met een live Q&A aan het einde, waarbij je via de chat vragen kunt stellen. Met een ‘gewoon’ kaartje heb je drie dagen de tijd de film te kijken. „Ook deze films kunnen uitverkopen, dat heeft te maken met rechten. De Big Talks zijn wel voor iedereen gratis toegankelijk en we hebben dit jaar heel mooie gasten zoals Mads Mikkelsen en Charlotte Gainsbourg.”

Om het Rotterdamse publiek iets tastbaars te geven, staan op vijftig plekken in de openbare ruimte ‘Tiger on the Loose’. „Objecten waarmee je met je smartphone een filmfragment kunt afspelen, waarin een tijger verstopt zit. Als mensen in deze corona-omstandigheden toch naar buiten gaan, kunnen ze nu een wandeling maken met een doel. De objecten liggen als het Tijger-logo over de stad verdeeld.” Verder worden op de zijkant van het Pathé-gebouw de vijftig IFFR-posters tot nu toe geprojecteerd én de vijftig posters van de toekomst, ontworpen door studenten van de Willem de Kooning Academie. Van der Haar: „Richting juni hopen we fysiek in de zalen en buitenruimte films te laten zien. De focus is nu op februari, met de Tiger- en Big Screencompetitie en de Limelighttitels, hoogtepunten uit ons programma.”

Mini-bioscoopje

Dit jaar is onder meer de Rotterdamse filmmaker Tim Leyendekker (48) met zijn eerste speelfilm Feast geselecteerd voor de Tigercompetitie. Hij zegt: „Het podium is te gek, maar ik had me wel iets anders voorgesteld bij de première van mijn eerste feature-film. Mijn studiogenoten hebben gelukkig een mini-bioscoopje gemaakt voor twee personen. het is een kwestie van imiteren en doen alsof alles hetzelfde is. Maar dat is het natuurlijk helemaal niet.”

Behalve filmmaker is Leyendekker een overtuigd cinefiel die al 35 jaar trouw naar het festival gaat. „Voor mij is het altijd zo’n belangrijk moment in het jaar geweest. Ik zou bijna zeggen dat ik hier voor het festival ben komen wonen, maar dat gaat misschien iets te ver.”

‘IFFR is er ook voor films die amuseren en behagen’

Tot nu toe miste hij geen enkel jaar. „Het is extra heftig omdat ik zelf eindelijk die Pathé 1 had gehad. Als begin twintiger fantaseerde ik in de zaal hoe fantastisch het zou zijn als mijn naam op de aftiteling te zien zou zijn. Nu hebben bijna al mijn korte films op IFFR gedraaid, dus ik heb al een beetje geoefend. Dit is toch wel anders, zeker met de belangstelling die er voor is.” Een kleine troost is dat de film in juni, als ‘corona’ het toestaat, wél in de zaal vertoond zal worden.

Directeur Van der Haar voelt zijn pijn. „Ondanks de goede voorbereiding blijft het ongelooflijk jammer voor de echte diehards, die hadden we graag met zijn dertigen in een zaal gezien. We raden hun aan beamers en grote schermen te installeren en thuis de film te beleven. Het voordeel is dat je op één kaartje met het hele huishouden kunt kijken.”

Echte zaalkijker

Nog zo’n fan is Jelle van der Hijden, grafisch ontwerper en fotograaf. „Ik ben een echte zaalkijker. Tijdens IFFR kijk ik gemiddeld zo’n vijftig films. Nu kan ik wel blijven mopperkonten dat het festival niet doorgaat, maar ik heb me er maar bij neergelegd.” Dit betekent in zijn geval dat hij zijn woonkamer tot filmzaal heeft omgebouwd. Wijzend: „Ja, dit absurd grote fotostatief stond hier al, omdat ik graag langzaam fotografeer.” Aan het statief hangt een nieuwe beamer. „Omdat de bioscopen echt dichtgingen, heb ik deze onlangs gekocht. Ik had niet zoveel functies nodig, dus voor onder de 300 euro was ik klaar.” Hij verving het zwarte fotodoek door een wit doek, zette twee luie stoelen neer en hing een paar zwarte gordijnen op. „Het kijkt lekker weg, dat had ik nooit verwacht.”

Ook hij gaat al ruim 35 jaar naar IFFR. „De eerste keren op mijn fietsje vanaf Vlaardingen met een fles wijn in de binnenzak. Na de film kon je fantastisch dansen in het Hilton op zo’n in elkaar geklikt parketvloertje. Aan de overkant de damp op de ruiten van Hotel Central.”

Toch is de ‘randprogrammering’ in de vorm van feestjes niet Van der Hijdens grootste gemis. „Ik ga nog weleens naar Kino als ze daar een barretje hebben, maar succes en groei maakt iets niet altijd beter. Toen het kleiner was, vond ik het een stuk leuker. Van mij zou het festival zich ook meer mogen toespitsen op de niche van kleinere arthousefilms.”

Foto David van Dam

‘Selecteer op zielenpijn’

Toch vond hij ook dit jaar 24 films naar zijn gading, getuige het schema aan de muur. „Ik selecteer op zielenpijn, esthetiek, emancipatie, Frankrijk, koloniale historie en vrouwelijk perspectief. Om de rennen-schietenfilms loop ik een beetje heen. Ik zie films niet als entertainment, maar als educatie. Door een film kijk ik met het perspectief van iemand anders naar de wereld, zo word ik een rijker mens.”

We kijken niet naar iets; we zitten er middenin

Dat is precies wat IFFR-cultuurcoach Mahfoud Mokadem zijn Zadkine-studenten probeert mee te geven, in een samen met het festival ontwikkelde lessenreeks. „Film biedt perspectiefwisseling en daar kun je veel van leren. Ik liet eens een korte film zien over een jongen die in een vis verandert, wanneer hij in contact komt met water.”

In het gesprek na afloop gaf een van zijn studenten aan diep geraakt te zijn. „Hij was van Congolese komaf en had albinisme. Hij vertelde wat dit betekent in zijn cultuur, voor zijn familie en dat hij, net als de jongen in de film, daarin persoonlijk gegroeid was. Er ontstond een gesprek, onderling begrip en wisselingen van perspectief. Dat is waarvoor ik het doe, zo’n kwetsbaar gesprek had nooit plaatsgevonden als we niet naar die film hadden gekeken.”

Toch ziet Mokadem zijn leerlingen nog niet zo snel IFFR bezoeken. „Die kloof is iets te groot, denk ik. Het festival is iets waarop je als inwoner of student in deze stad trots zou moeten zijn, maar deze jongeren zegt het niets, voor hen blijft het bij een mooi logo. Ik herken dat wel. Toen ik als jonge gozer een keer naar de bios wilde, werd er gezegd: ‘Nee, dat kan niet want het is filmfestival’. Sindsdien vond ik het elitaire bullshit. Inmiddels zit ik zelf in het vak, dus heb ik gewoon gemaild en gezegd: ‘Luister, ik zie die tijger altijd in de stad. Ik ben acteur, theatermaker en docent, waarom gaan we niet een keer samenwerken?’”

Met het lesprogramma bereikt IFFR de studenten rechtstreeks. „Ik acht de kans heel klein dat ze anders deze films zouden zien. Datzelfde geldt trouwens voor mijzelf – en ik werk in de filmindustrie.” De films zijn voor hem een aanleiding met studenten te filosoferen over de actualiteit en eigen verantwoordelijkheid. „Stel dat ik volgende week een les zou moeten geven, dan zou ik bijvoorbeeld Les Miserables laten zien, waarin rellen centraal staan. Dan gaan we dat analyseren, motieven bespreken en de rechtvaardigheid ervan. Op die manier kunnen wij, IFFR, als organisatie heel dichtbij komen.”