Hoe een grafheuvel zijn schatten prijsgaf

Archeologie Het rijke scheepsgraf van Sutton Hoo veranderde de kijk op de vroege Engelse geschiedenis. De vondsten zijn nu topstukken in het British Museum.

Voorbereiding van een scène voor ‘The Dig’. Met onder op de grafheuvel, met schep, acteur Ralph Fiennes als boer/archeoloog Basil Brown.
Voorbereiding van een scène voor ‘The Dig’. Met onder op de grafheuvel, met schep, acteur Ralph Fiennes als boer/archeoloog Basil Brown. Foto LARRY HORRICKS/ NETFLIX

Zijn naam was Rædwald – waarschijnlijk. In het schitterende scheepsgraf van Sutton Hoo zijn nooit menselijke resten aangetroffen, maar wetenschappers gaan ervan uit dat dit de laatste rustplaats is van deze Angelsaksische koning van East Anglia, die heerste aan het begin van de zevende eeuw na Christus.

De film The Dig laat goed zien welke heroïsche archeologische arbeid er voor nodig is geweest om Rædwalds tombe bloot te leggen. Het resultaat overtrof alle verwachtingen. Na 1939, het jaar dat ‘Grafheuvel 1’ geopend werd, moest het bestaande beeld van de vroege Engelse geschiedenis compleet op de schop.

Landeigenaar Edith Pretty nam het initiatief om de grafheuvels te gaan onderzoeken. In de film wordt er slechts naar gehint, maar haar motieven waren voor een belangrijk deel van spirituele aard. Ze was in het spiritualisme verzeild geraakt na de dood van haar man. Een vriendin van haar zou boven de grafheuvels zelfs geesten van overleden krijgers hebben gezien. Pretty was ook inhoudelijk geïnteresseerd in archeologie: ze had onder meer een reis naar Egypte gemaakt.

De leiding van de opgraving was in handen van boer, autodidact en amateurarcheoloog Basil Brown. In The Dig vindt al zijn werk plaats in de nazomer van 1939, maar dat klopt niet met de werkelijkheid. Brown was begonnen met graven in 1938, in kleinere grafheuvels op het veld. De vondsten – klinknagels, potscherven en een bijl – waren niet al te spectaculair. Eén heuvel was zelfs al leeggehaald door grafrovers.

Lees ook: Archeologiefilm ‘The Dig’ graaft meer in de ziel dan in de grond

Herwaardering

Toch kwam Brown in 1939 terug om de grote heuvel van Sutton Hoo te openen. Na drie dagen stuitte hij op de restanten van een schip, dat 27 meter lang bleek te zijn. Tot op dat moment waren dit soort scheepsgraven vooral bekend uit de Vikingtijd (750-1050), maar Sutton Hoo was duidelijk een Angelsaksisch graf.

Charles Philips van de universiteit van Cambridge nam de leiding van de opgraving over en bracht een team professionele archeologen mee. Brown bleef wel meedoen en was getuige toen archeologe Peggy Piggot op 21 juli het eerste gouden voorwerp uit de grond haalde. Uiteindelijk zou de ‘Sutton Hoo hoard’ uit 263 artefacten bestaan, waarvan de helm waarschijnlijk het bekendste is geworden. Dat is nu één van de pronkstukken van het British Museum.

De in Sutton Hoo gevonden helm, waarvan historici menen dat deze van de Angelsaksische koning Rædwald was. Foto The Trustees of the British Museum

De enorme rijkdom die deze krijgerkoning zijn graf in had meegenomen, zorgde voor een herwaardering van de Angelsaskische geschiedenis. Historici dachten tot op dat moment dat er met de aftocht van de Romeinen aan het eind van de vierde eeuw een dark age was aangebroken, maar het graf van Rædwald liet zien dat Engeland meer dan tweehonderd jaar later nog steeds grote koningen kende, die – en dat was het belangrijkste inzicht – in verbinding stonden met de rest van de wereld. Sommige edelstenen in het graf kwamen uit het Midden-Oosten, of misschien nog wel van verder weg.

De ontdekking van Basil Brown bewees daarmee dat globalisering – een proces waarvan we het idee hebben dat het pas een paar eeuwen aan de gang is – ook bestond in de vroege Middeleeuwen. De Angelsaksen hielden net als de moderne mens van mooie spulletjes die van ver kwamen.