Opinie

Rellen, wantrouwen en angst: zijn dit de nieuwe jaren dertig?

Michel Krielaars

De anarchie is terug, dacht ik bij het zien van het geplunderde Primera-filiaal in Den Bosch, waar mannen met een teveel aan testosteron zich hadden uitgeleefd alsof het een ontspoord carnavalsuitje betrof. Gevoegd bij de kopstoot die Lieke Marsman, de nieuwe Dichter des Vaderlands, vorige week in haar bijzondere gedicht ‘Nederland’ aan onze politieke en nationale cultuur uitdeelde, kwam die schok extra hard aan. Ik vreesde zelfs even voor de toekomst van de democratie en voor Tweede-Kamerverkiezingen die alleen over ‘law and order’ zouden gaan.

Steeds vaker uiten burgers hun frustraties in de vorm van geweld, omdat ze zich niet gehoord voelen of opgejut worden door nepnieuws. Op zichzelf is die woede niet zo vreemd, nu politiek fundamentalisme en het neoliberale marktdenken elkaar in toenemende mate versterken en het westerse vrijheidsdenken steeds meer bedreigen.

Ik las erover in een artikel van de filosoof László Földényi in het 85ste nummer van Nexus. Hierin analyseert hij het denken van populisten als de Hongaarse premier Viktor Orbán en oud-president Donald Trump, die beiden de dialoog met hun tegenstanders, ‘de basisvoorwaarde van de democratie’, onmogelijk maken. Földényi ziet daarin een grote gelijkenis met het begin van de jaren dertig, toen de politieke chaos in de Weimarrepubliek niet meer in te dammen was. Zonder dat er nu een nieuwe Hitler op de stoep staat, ligt het gevaar volgens hem op de loer. Hij benadrukt dat met ‘Rede tot de Duitsers’, een lezing van Thomas Mann uit 1930, die zo in 2020 geschreven kon zijn.

Mann heeft het daarin over ‘verschwärmte Bildungsbarbarei’ (dweepzuchtige cultuurbarbarij) en het gevaar van begrippen uit het populistisch vocabulaire zoals ‘rassisch’, ‘völkisch’, ‘bündisch’, ‘heldisch’, die Földényi in een nieuwe gedaante bij Trump en Orbán herkent. Zo heeft Orbán onlangs Albert Wass’ antisemitische roman Bezetting door de ratten uit 1944 als verplichte literatuur op het schoolcurriculum laten zetten, terwijl daar voor humanistische schrijvers als György Konrád en Imre Kertész geen plaats is.

Földényi meent dat zulke ontwikkelingen te danken zijn aan een moderne variant van wat Mann in zijn lezing ‘de kermisachtige platvloersheid van de primitieve massademocratie’ noemt, zeg maar de door sociale media gedomineerde pretsamenleving, waarin cultuur, kunst en het denken er steeds minder toe doen – zie de toenemende ontlezing en de desinteresse van het kabinet voor de toekomst van de door corona geamputeerde culturele sector.

Ook Stefan Zweig waarschuwde voor het populistische gevaar. Dat blijkt uit Aan de Europeanen van vandaag en morgen, een voorbeeldig bezorgd boekje met drie van zijn lezingen over de noodzaak van een (cultureel) verenigd humanistisch Europa, waarmee een oorlog op dat continent zou kunnen worden voorkomen. Zo zegt hij in ‘De geestelijke eenheid van de wereld’, gehouden in 1936 in Rio de Janeiro: ‘zelden was de atmosfeer van de wereld (met name van ons oude Europa) zo vergiftigd door wantrouwen, verdeeldheid en angst.’ En in een interview met de Braziliaanse krant Jornal do Commercio waarschuwt hij in diezelfde dagen: ‘De geschiedenis herhaalt zich niet, maar ze herinnert ons aan een bepaald type mensen en een bepaald soort gebeurtenissen.’ Precies dat gevoel bekroop me toen ik die geplunderde Primera zag.