Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.

Wat te doen met al die woede?

Avondklok De ruimte voor tegengeluid is er niet alleen voor wappies, schrijft . Ook hij trotseerde de avondklok. „Waren we maar eerder boos geworden op de boven ons gestelden.”

Op de zaterdag van de eerste avondklok sinds de Tweede Wereldoorlog stond er een puzzelbijlage op de voorpagina van mijn krant. ‘Acht puzzels voor tijdens de lange lockdown-avonden’, las ik. Maar mijn hoofd stond niet naar sudoku’s of cryptogrammen; ik had genoeg aan mijn eigen raadsels.

Dit raadsel bijvoorbeeld: waarom werd ik zo boos toen die avondklok werd aangekondigd? De persconferentie was nauwelijks begonnen of de wappie in mijzelf roerde zich al. ‘Echt be-lách-e-lijk’, riep ik naar het beeldscherm. Ik schrok van mezelf. Waar was de stoïcijnse kalmte waarmee ik nu al bijna een jaar maatregel na maatregel had gepareerd? En daar zaten veel pijnlijkere ingrepen bij: van afgelaste familiefeesten en reizen tot en met de schoolsluiting. Vooral die dichte schooldeuren gooiden mijn leven overhoop; daarmee vergeleken was de avondklok een zegen, een alibi voor wat ik toch al deed: bankhangen en netflixen, uitgeput van schrijven, homeschoolen, luiers verschonen.

Toch veranderde ik nu in de emoji van een rood boos hoofd. Mijn bloed kolkte, ik had zin om de avondklok volledig aan de laars te lappen. Als een eenmansprotestmars zou ik de straat op marcheren, martelaar voor het recht op toegang tot de eigen stoep.

Wees lief voor elkaar, maar vooral voor jezelf – het is mijn mantra dezer dagen. Het belangrijkste symptoom van deze pandemie is extreme prikkelbaarheid. En toch nog kwam mijn avondklokoprisping onverwacht. Ik bedoel, juridisch gezien had ik recht op woede. De avondklok zou het hele land in één klap in een cellencomplex veranderen, voor ons aller bestwil, uiteraard, maar toch: de libertas van miljoenen stond hier op het spel, mind you.

Maar eerlijk gezegd was mijn reactie veel primitiever, puur gevoel: blijf met je grijpgrage vingers van mijn vrijheid af, stelletje falers in Den Haag, ga eerst eens fatsoenlijk vaccineren, regel éérst maar dat kantoren overdag niet vol zitten, dat Schiphol stilligt, doe iets voor de kínderen, maar blijf van mijn stoep af.

Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Gevoelens doen ertoe. Dat hebben we met z’n allen nogal onderschat, me dunkt: te veel naar data en grafiekjes getuurd, te weinig oog voor wat een jaar pandemie met onze koppies deed. En vrijheid, ons hoogste goed, is vooral een gevoel, iets intuïtiefs, niet meetbaar. Je kunt je opgesloten voelen in een villa of juist goddelijk in een te klein hotelkamertje. En gevoelens, die moet je een uitlaatklep geven.

Maar goed, dat bedacht ik zelf ook pas veel later, toen ik tussen brandende auto’s en kapotvallend glas op straat stond. Waarover zo meer. Deze nietsvermoedende zaterdag toen ik geen zin had in puzzelen, was ik blij dat een vriend me een appje doorstuurde met een oproep: kom naar het plein voor de Markthal, daar zal een protest zijn tegen de „dictatoriale” avondklok. „We kunnen niet langer toekijken hoe onze vrijheden steeds verder worden ingeperkt!” Ronkende woorden, maar ik was blij dat er tenminste íémand de straat op ging. Het zou toch verontustender zijn geweest als er 17 miljoen onschuldige mensen zonder slag of stoot de gevangenis in gingen omdat onze politici faalden bij het controleren van een pandemie? Er zijn stupidere aftelmomenten.

Half negen trok ik mijn jas aan, stak nog gauw een appel in mijn zak – altijd een appel mee, dan blijf je uit de problemen, weet ook de premier – en ging de nacht in. Als extra amulet had ik een perskaart. En ik was zelfs zo braaf (of laf) om conform de richtlijnen der Rijksoverheid een Werkgeversverklaring Avondklok mee te nemen. Die had ik weliswaar zelf opgesteld: als eigenaar van mijn zzp-bedrijfje verklaarde ik dat ikzelf in de functie van ‘essayist’ beslist naar buiten moest. Ja, de frisse neus was kafkaësk geworden. En ik wist niet of m’n pdf’je elke handhaver zou overtuigen. Maar ik meende het wel, uit de grond van mijn hart: je kunt deze tijd niet vanachter Twitter of Netflix begrijpen; je moet naar buiten.

Ik nam ook nog een vuilniszak mee, de buren zouden anders eens gaan denken (in welke tijd of plaats je ook leeft, het spannendst zal altijd blijven wat de buren zullen denken). Daarna fietste ik schielijk weg, de stille stad in. De laatste mensen schoten weg als vlak voor een voetbalfinale. Iedereen naar z’n kooi. Dit waren de laatste minuten van een tijdperk van 75 jaar onafgebroken vrijheid. Nog even en ik was fout, louter door buiten te zijn.

Op de stoep voor de Markthal stonden enkele tientallen demonstranten. De groep bleek heel gemengd, zowel qua kleur, sekse als leeftijd. Dit moesten de mensen zijn die men doorgaans wappies noemt. Ik was beducht voor ze, maar ook opgelucht dat ik in elk geval niet de enige gekkie was.

Het kabinet is als een zwalkende scheids die vlak voor het eind nog wat rode kaarten trekt

Hier moet ik even een paragraaf inlassen speciaal voor de NRC-lezers die zich nu bezorgd afvragen of ik me bij de verderfelijke wappies heb aangesloten. Wees gerust, ik sluit me nergens bij aan. Eigen meester, niemands knecht, zeg ik als kleine zelfstandige altijd. Ik weet wel, we worden tegenwoordig de facto geregeerd door medici en virologen. En wie het waagt vragen te stellen bij de decreten van die medicocratie, wordt al gauw naar het kamp der gekkies geëxcommuniceerd. Dat is niet gezond. Niet rationeel. De waarheid is complexer dan ja en amen, democratie vraagt niet om blind vertrouwen, maar om weerstand en debat. Me dunkt dat juist de weldenkende, beschaafde mensen zich de kaas niet van het brood moeten laten eten, niet de ruimte voor tegengeluid moeten laten invullen door idioten.

Ik denk de laatste tijd vaak aan de jaren tachtig, toen er agressieve krakersrellen waren, maar ook keurige betogingen van soms wel een half miljoen lieve Nederlanders op één dag, heel erg nette mensen die ageerden tegen een overheidsbesluit dat weliswaar voor hun eigen bestwil was genomen, maar dat toch niet pluis voelde: de plaatsing van NAVO-verdedigingswapens. Een half miljoen mensen! De meesten zullen nog leven. Kolkt hun bloed nog weleens? Of zijn ze nu ’s avonds aan het puzzelen? Er staat nu minstens zoveel op het spel. Maar er lijkt een nijpend gebrek aan civil courage te zijn onder weldenkenden. Juist zij zouden weer de straat op moeten, al was het maar om daar te constateren dat lang niet alle wappies zo wappie zijn als ze dachten.

Want ik snap sommige wappies wel. De klok van de Laurenskerk sloeg al bijna negen uur toen ik er een paar sprak. Ze vonden het collectieve straatverbod een veel te grove inbreuk op onze vrijheid, gedaan door een falend kabinet dat al was gevallen.

Ik zei dat ik het daar goeddeels mee eens was. Waren we niet een-na-laatste in Europa qua vaccinaties? Dit kabinet deed me denken aan een zwalkende scheidsrechter die vlak voor tijd nog wat rode kaarten trekt om de indruk van controle te wekken. En ik ben op zich gek op paardenmiddelen, zo zou ik het bijvoorbeeld fijn vinden als auto’s uit de binnenstad verbannen werden, dat scheelt veel verkeersslachtoffers en fijnstofdoden; of sluit alle slijterijen; ik zou zelfs een complete, radicale lockdown hebben toegejuicht in februari vorig jaar, om voor eens en altijd van het virus verlost te zijn – maar om na een jaar van aanklooien een straatverbod in te stellen om je gefaal te verbloemen? Dat trok ik ook slecht. Ik snapte deze wappies wel.

Hun grieven staken bovendien veel dieper dan enkel die avondklok. Ze vertrouwden de overheid gewoon niet meer. Het was een loerende tiran die je hinderlijk volgde, die je steeds meer belasting liet betalen voor je blikje Red Bull, voor steeds minder zorg, terwijl grote bedrijven de dans ontsprongen en jouw studieschulden opliepen.

Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari. Foto Annabel Oosteweeghel

„De overheid neukt jou”, vatte iemand het voor me samen.

Dat constateert de Nationale Ombudsman ook keer op keer, wilde ik zeggen, maar tijd om te filosoferen was er niet meer op dit plein. De klok luidde.

En toen de klok nog nazong, klonk ook al de megafoon van de politie. En er was een snerpend geluid, erger dan duizend nagels op een schoolbord, kennelijk bedoeld om menigten te verjagen. Een cirkel agenten vormde zich rondom ons. De meeste demonstranten kozen eieren voor hun geld, niet iedereen had een essayistenpas (of zin om 95 euro te dokken). Er volgde geschreeuw, geduw; wat arrestaties en boetes vanwege buitenzijn.

Binnen tien minuten was het plein zo leeg dat er een vliegtuigje had kunnen landen.

Ik fietste weg, de Maas over, opgefokt door de lichaamseigen Red Bull in mijn bloed genaamd adrenaline. Ik had de Erasmusbrug voor mijzelf. Slechts de schaduw van een containerschip ging onder me door. Schip moet varen, het adagium van de wereldhandel.

Deze frisse neus maakte me bozer. Waarschijnlijk was ik het afgelopen jaar een beetje gewappificeerd. Niet eerder had de overheid zo’n enorme inbreuk gemaakt op mijn leven, nooit eerder was mijn vertrouwen in de boven mij gestelden zo laag. Je hoefde er geen fake news voor te volgen, de kwaliteitskranten stonden er al vol mee. Zelfs mijn eigen nette krant noemde de Toeslagenaffaire een clusterfuck. Of neem dat schrijnende stuk van afgelopen zaterdag, over hoe de schoolsluiting op kinderlevens inhakt – wat was dit voor overheid? Of dat verhaal in de Volkskrant, over hoe mijn premier druk uitoefent op wetenschappers om met adviezen te komen die hij wil. Hoe kun je van burgers vragen om wetenschap te vertrouwen als je die zelf manipuleert? Is het gek als sommige burgers gaan klooien, als je ze als kleuters behandelt? Is het raadsel niet eerder hoe rustig het blijft?

Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Enfin. Ik fietste Rotterdam-Zuid in, m’n vaste rondje. Het gebruikelijke verdriet van rolluiken, de stilte leek niet anders dan eerder, toen er nog geen straatverbod gold. Dat was de tol van de pandemie: de stad was al stuk, zo doods dat zelfs een avondklok de straten niet stukker kon maken. Dacht ik toen.

Op straat waren enkel de oranje en groene voedselkoeriers te zien van Thuisbezorgd en Uber, de uniformen van de uitknijpbranche. Leven we sinds corona allemaal niet een beetje zoals fietskoeriers, peinsde ik: we navigeren van opdracht naar opdracht, bestuurd door de steeds wisselende levensinstructies die tot ons komen via matrixborden en ingelaste persconferenties. Komende weken geen school. Niet buiten zijn na 21.00 uur. We leven van dag tot dag, zijn gestopt met plannen. Zelfs de voorpret stellen we uit.

We zijn allemaal gaan leven als flexmensen en zzp’ers. Met de overheid als wreed platform. Maar was het nieuw? Dat ongewisse, wispelturige bestaan – was het niet altijd al de grondtoon, het levensgevoel, van wat men het neoliberalisme noemt? Misschien was dat wel een voordeel van de pandemie: we beseffen nu pas in wat voor tijd we al die tijd al leefden.

We zijn nu allemaal dagloners.

Waarom zijn we dan niet bozer, vroeg ik me af. Nogmaals, ik had dus te veel foute lectuur gelezen. Zoals het prachtboek The Great Derangement, van de Indiase romancier Amitav Ghosh. Het boek is ‘al’ uit 2016 en gaat over de vraag waarom niemand schreef over klimaatverandering, toch de grootste bedreiging voor de mensheid. Maar eigenlijk gaat het over alles wat ‘raar’ of ‘unheimisch’ is, of ongekend. Niet alleen de bloemknoppen die te vroeg uitkomen, ook een virus dat een wereld lamlegt. Akelig stille straten. Of juist ongekende plunderingen in je eigen stad.

Ghosh stelt dat samenlevingen zoals de onze diep in slaap waren gesukkeld door een misplaatst gevoel van wetenschappelijke controle en levenscomfort. We beleefden een crisis van verbeelding: we konden ons letterlijk niet meer voorstellen dat een catastrofe ons zou treffen, laat staan dat we erop voorbereid waren. Tot we wakker schrokken. Te laat. Toen noemden we de tijd: ongekend. Een raar jaar.

En ik las een ander fascinerend essay over de puinhopen van tien jaar Rutte. Over hoe inmiddels bijna één op de drie werkende Nederlanders een onzekere baan heeft gekregen. Hoe 100.000 zorgbanen zijn kapotgemaakt. Intussen stegen zorgkosten, studiekosten, verdubbelde het aantal daklozen, terwijl lonen stagneerden. Waarom winden mensen zich meer op over het groeiend aantal gekkies, dan over deze gekte? Ik werd boos, en dat was ook de bedoeling van het boek, getuige de titel: Ontwaak! Kom uit uw neoliberale sluimer, door Ewald Engelen.

En daarom vond ik het nu te stil op straat. Veel te stil!

Op de terugweg, kwam er een Golfje naast me rijden. Een raampje ging omlaag. Shit. Stillen

Op de terugweg, ik was bijna in mijn eigen wijk, kwam er een donker Golfje naast me rijden. Een raampje ging omlaag. Shit. Stillen. Maar de agenten vroegen heel vriendelijk of ik op de hoogte was van de avondklok. Het dystopische van de scène had me niet eens geschokt. Of misschien kon ik me gewoon niet voorstellen wat ik net had gezien. Je gaat aan jezelf twijfelen als je in je eentje over straat zwerft.

Maar het bleef dus niet stil. Via Urk, Eindhoven, Amsterdam sprong het vuur naar me toe. En zo fietste ik twee nachten later weer door Rotterdam-Zuid. Het was tegen tienen, de avondklok was al ingegaan, sterker, er gold een noodbevel. Er klonken doffe knallen. Boven hing een helikopter met zoeklicht. Ik parkeerde mijn fiets tegenover een brandende bestelbus. Een politiebus passeerde, er vloog glaswerk over mijn hoofd naar de bus toe. Ik liep over de Putselaan, op het randje van de Tweebosbuurt, die relschoppers deden precies wat de gemeente hier zo graag wilde: hele straten slopen.

Waar bleef de woede? Nou, hier.

Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto Annabel Oosteweeghel
Rotterdam na het ingaan van de avondklok, maandag 25 januari.
Foto’s Annabel Oosteweeghel

Waren wij beschaafden maar eerder boos geweest, dacht ik. Hadden wij het maar eerder gezien. Misschien was een deel van het probleem dat bij ons, beschaafde mensen, één kapotte stationspiano algauw meer woede opwekte dan het jarenlang uithollen van de verzorgingsstaat. Die relschoppers waren verschrikkelijk, maar ze waren de oogst van wat wijzelf de afgelopen jaren hadden laten slopen.

Maar het was niet het moment om over het neoliberalisme te beginnen.

‘Kankerjoden’ riep men en ‘Fuck the police’.

Naast mij versleepten twee jonge mannen een bank om die op een ander vuur te gooien. Ik wilde een foto maken, eentje keek me aan, ik liet mijn mobiel zakken. Het voelde alsof ik oogcontact had gemaakt met de kantelende tijdgeest.

Wat te doen met alle woede? Ik weet het niet. Minder puzzelen, denk ik soms. Méér puzzelen, denk ik vervolgens. Ja, stoppen met doomscrollen op je telefoon, dat is altijd goed. Naar buiten gaan, de straat op – ook altijd goed. Hoeft niet met een spandoek, kan ook met een prikstok. Maar laat de straat niet kapen door relschoppers.

De ochtend na de rampnacht zag ik op de Beijerlandselaan vrijwilligers van de naburige moskee winkeliers helpen bij het opruimen van puinzooi. Van alle raadsels van deze tijd leek dat me voorlopig de allerbeste oplossing: ga de straat op om iets goeds te doen.