Kamer eensgezind in afschuw van rellen

Tweede Kamerdebat De Tweede Kamer sprak steun uit aan agenten. De oorzaken van de rellen bleven echter onderbelicht.

Minister Grapperhaus, premier Rutte, minister Bijleveld en Geert Wilders (voorgrond) tijdens het debat.
Minister Grapperhaus, premier Rutte, minister Bijleveld en Geert Wilders (voorgrond) tijdens het debat. Foto Bart Maat/ANP

Toen minister Ferd Grapperhaus (Justitie, CDA) woensdagmiddag in het debat over de rellen van deze week het woord kreeg, had hij goed nieuws. Eerder die middag was de eerste relschopper via snelrecht veroordeeld. Een 19-jarige Hagenaar had maandag in de Schilderswijk een steen gegooid naar de politie en moet twee maanden de cel in.

Grapperhaus keek tevreden, maar PVV-leider Geert Wilders reageerde woedend. Twee maanden cel? „Lachwekkend”, vond Wilders. „Het hadden vier of vijf jaar moeten zijn!”

Lees ook: De hulp van de voetbalsupporter wordt eventjes gewaardeerd

Het was Geert Wilders die het debat had aangevraagd over de rellen die zondag uitbraken na anti-lockdowndemonstraties in Amsterdam en Eindhoven en daarna een vervolg kregen in tal van steden. De PVV-leider had van tevoren al laten weten dat het debat wat hem betreft maar één doel diende: het indienen van een motie waarin het kabinet werd opgeroepen om „het leger” in te zetten.

Volgens Wilders houdt de politie het niet vol als het onrustig blijft. Dat het kabinet overweegt om bijstand te vragen aan Belgische en Duitse agenten vond hij onacceptabel, zo zei hij tijdens het debat. Immers: Defensie mág de politie bijstand verlenen. En hadden relschoppers in app-groepen niet gezegd dat ze alleen bang waren voor het leger?

Maar de rest van de Tweede Kamer voelde niets voor Wilders’ voorstel. De afgelopen dagen lukte het de politie zélf om de rellen te beteugelen. Wel met bijstand van de marechaussee, ook onderdeel van Defensie, maar zonder de inzet van soldaten. Geen burgemeester had bovendien verzocht om de bijstand van militaire eenheden, zeiden Grapperhaus en premier Mark Rutte (VVD).

De motie van Wilders kon op geen enkele steun rekenen. GroenLinks-fractievoorzitter Jesse Klaver vroeg Wilders de motie aan te houden. „Deze motie is vooral bedoeld om tegenstellingen binnen de Kamer te laten zien. We zouden in plaats van verdeeldheid ook eenheid met zijn allen kunnen uitstralen.” Maar dat was Wilders niet van plan. „Als iedereen voor stemt is er geen verdeeldheid en kunnen we snel het leger inzetten”, zei de PVV-leider.

Ondanks de geringe politieke steun domineerde Wilders’ oproep het debat, dat live op NPO 1 werd uitgezonden en daarmee, twee maanden voor de verkiezingen, meer was dan een ‘gewoon’ Kamerdebat. Wilders probeerde zich te profileren als degene die het „het tuig” het hardste wilde aanpakken. En al was het premier Rutte die zei dat de inzet van militairen „geen taboe” was, Wilders kreeg de meeste interrupties van Kamerleden.

Oorzaken onderbelicht

Eensgezind waren de partijen wel in hun afschuw over de rellen. Ze betuigden unaniem hun steun aan de agenten op straat.

Maar op de vraag hoe het tot rellen had kunnen komen, had niemand een antwoord.

Lees ook het interview met onderzoeker Jelle van Buuren over de motieven van de coronademonstranten

Volgens CDA’er Chris van Dam „lopen veel mensen op hun tandvlees. Dat is geen reden voor relgedrag, maar het speelt wel een rol.” Hij had signalen gekregen dat wijkagenten vanwege de coronacrisis minder voeling hadden met buurten dan anders. Politieteams in de wijken waar gereld werd zouden bovendien onderbezet zijn: „Door de inzet van dit kabinet zijn er meer agenten dan ooit, maar wel op de verkeerde plekken.”

SP’er Michiel van Nispen reageerde op een opmerking van premier Rutte, die eerder liet weten „geen sociologische verklaringen” te willen zoeken voor het gedrag van de relschoppers. Volgens Van Nispen was dat juist wél belangrijk: „We moeten het begrijpen, om te voorkomen dat het in de toekomst weer zo snel fout kan gaan. Begrijpen wat er gebeurd is, is iets heel anders dan begrip hebben”.

Rutte zag dat toch anders. Hij wilde voorkomen „dat we ons gaan verdiepen in de moeilijke jeugd die iemand heeft gehad, dat we een vergoelijking geven van gedrag”. Het gaat, zei Rutte, „om puur crimineel gedrag” – zonder al te diepgaande maatschappelijke oorzaken.