Foto Frank Ruiter

Interview

‘Ik heb nooit gedacht: nú ga ik dood’

Lunchinterview Els Visser overleefde een schipbreuk, na een nacht dobberen en acht uur zwemmen. Nu is ze professioneel triatleet – ook een soort overleven. „Het verschil is: bij een wedstrijd weet je dat er een einde aan komt.”

Als ze te gast was geweest in een talkshow, en niet in een vergaderzaaltje zonder ramen op de redactie van NRC, had Els Visser (30) geïntroduceerd kunnen worden in één klinkende zin: overlevende van een schipbreuk en nu snelste triatleet van Nederland. Of nee: schipbreukeling die de snelste vrouw werd bij de Iron Man, de zwaarste triatlon ter wereld. Een iets rustiger aankondiging had ook gekund: schipbreukeling en gepromoveerd arts wordt geen chirurg maar topsporter. En dan zouden de kijkers thuis geen superwoman zien, maar net als ik een tengere gestalte in een Bretons gestreepte trui met een klein staartje bovenop haar hoofd. Aan tafel, met perensap en Italiaanse broodjes om te delen.

Eén dramatisch moment aanwijzen waarop je leven een wending nam, dat kunnen niet veel mensen en alleen al daarom werd Els Visser, nog voor ze arts of atleet was, vaak gevraagd haar verhaal te doen. In kranten, tijdschriften, TED-talks en televisieprogramma’s vertelde ze over die nacht in de zomer van 2014, aan boord van een gammele boot op de Floreszee bij Indonesië, onderweg naar de Komodo-eilanden. Het bootje voer lek, maakte water en zonk. Geen navigatiesysteem aan boord, geen bereik en dus geen communicatie met de wal, en één reddingsbootje waarin geen plek was voor álle 25 passagiers (toeristen plus kapitein en bemanning). Wie niet in de boot zat, moest zich vastklampen aan drijvende wrakstukken.

Na een nacht dobberen in zee, met nul hoop op redding, leek het haar ondraaglijk om nog een dag en weer een nacht, en wie weet hoe veel langer te wachten op een wisse dood in het water. Els Visser zwom daarom naar de zwarte stip aan de horizon, misschien een eiland, misschien niet. Gaylene, een Nieuw-Zeelandse, zwom mee. „Het was meer een opwelling dan een besluit.” Na, vermoedelijk, een uur of acht zwemmen bereikten ze voor zonsondergang het onbewoonde vulkaaneiland Sangeang. Bij toeval werden ze daar de dag erop aangetroffen door een langsvarend zeiljacht dat toen al een paar andere opvarenden had opgepikt. De passagiers die bij de wrakstukken waren gebleven, werden ook gered. Twee Spaanse jongens die ná Els en Gaylene zwemmend waren vertrokken, werden nooit meer teruggevonden.

Zaterdags zinkt de boot, op zondag wordt ze gered, de dinsdag daarop zit ze op de bank bij haar ouders thuis in Glimmen, Groningen. Ze is 24, zesdejaars student geneeskunde en heeft net een ramp overleefd. De belangrijkste wending in haar leven op dat moment was vooral dat ze het er levend vanaf had gebracht. Ze hervatte haar studentenleven in Utrecht, ze liep coschappen in het ziekenhuis, ze begon aan een promotieonderzoek naar chirurgische ingrepen bij slokdarmkanker. Goed, ze was wat stiller dan voorheen, wat teruggetrokken misschien. „Ik was vervreemd van deze wereld. Twee dagen lang had ik gedacht: ik kom niet meer terug. Maar ik was er weer en dat klopte niet. Ik stond nog heel lang in een overlevingsmodus.”

Wat hielp „haar hoofd leeg te maken” was hardlopen. Van „nog geen rondje Singel” rende ze binnen de kortste keren een halve marathon, toen een hele. Daarna een triatlon. „Ik zag het als een eenmalig avontuur.” Vervolgens, waarom niet, een Iron Man. Een ‘normale’ Olympische triatlon is: anderhalve kilometer zwemmen, veertig kilometer fietsen en tien kilometer hardlopen. Haar versie, de Iron Man, is: bijna vier kilometer zwemmen, bijna tweehonderd kilometer fietsen en dán nog een hele marathon rennen (42,195 kilometer).

Waar de meeste topsporters van jongs af aan toewerken naar een landstitel, deed zij op haar achtentwintigste een gooi naar het Nederlands kampioenschap en won. In iets meer dan negen uur finishte ze als eerste vrouw bij de Iron Man in Maastricht. Bij het wereldkampioenschap op Hawaï werd ze zestiende. Dat was in 2019.

De zee bepaalt wie wint

Ze promoveerde ook in 2019, maar toen had ze al besloten geen chirurg te worden, maar professioneel triatleet. Nu ze dat is, zou ze het liefst alleen nog praten over haar sportcarrière, zegt ze, zonder dat elke keer die ramp te berde wordt gebracht. Ze heeft zich door haar uitgeverij laten overhalen haar verhaal nog één keer uitgebreid te doen, en dat door een ghostwriter te laten optekenen. Geen zee te hoog, is het derde boek over die ene schipbreuk, na Zeetijd en Schipbreuk in het paradijs, geschreven door de mannen van de twee Nederlandse stellen (Jan en Alie en Wilbert en Marjan) die ook aan boord zaten van hetzelfde schip. Haar boek is niet bedoeld om „te verwerken” wat er is gebeurd, zegt ze, maar om het achter zich te kunnen laten.

In Geen zee te hoog staan hoofdstuk 21 (Els zet eerste voet op het vulkaaneiland) en hoofdstuk 22 (Els zet als eerste voet over finishlijn) op twee pagina’s naast elkaar afgedrukt. Dus aan de vergadertafel moet dé vraag gesteld: was ze ook triatleet geworden zónder die nacht op zee? Ze is een tijdje stil en zegt dan: „Ik denk het niet.” Op haar website doet ze haar levensverhaal in het kort, daar noemt ze zichzelf in zin twee shipwreck survivor. Maakte haar besluit om weg te zwemmen bij het wrak haar een overlever? Strikt genomen niet, want de wachtenden bij het wrak overleefden ook. Sterker, was ze net als de Spanjaarden iets later vertrokken, dan was de stroming misschien anders geweest of was ze overvallen door het donker.

Foto Frank Ruiter

Was het haar moed, haar fysieke kracht, haar uithoudingsvermogen dat haar redde? Vast ook. Maar, zegt ze, je kunt olympisch kampioen zwemmen zijn en zo’n strijd toch verliezen. „De zee bepaalt wie wint.” Zij heeft, zegt ze, geluk gehad. Zoals ze ook geluk had dat zij na een nacht in een plaatselijk hotel weer terug kon vliegen naar Nederland en dat ze niet, zoals de bemanningsleden ongetwijfeld wel, de week erop weer aan boord moest van een ander gammel toeristenbootje.

Heeft de ramp haar soms verslaafd gemaakt aan de euforie van overleven, is dat het? Nee, zegt ze resoluut. „Want die twee dagen op zee was er geen acuut moment waarop ik dacht: nú ga ik dood.” Urenlang zwom ze op haar rug, haar armen gekruist om haar zwemvest op z’n plek te houden. „Ik heb geen seconde gedacht: ik kan niet meer, ik geef het op.”

Ja, dat gevoel heeft ze tijdens een Iron Man van negen uur wel. „Het grote verschil bij een race is dat je weet dat er een einde aan komt.” Dus? „Je kunt stoppen, je weet dat er een reddingsbootje komt als je kramp krijgt bij het zwemmen, opgeven is een optie.” Voor een drenkeling niet, of wel, maar dan… „De wetenschap dat een wedstrijd eindig is, maakt opgeven makkelijker.” Dus spreekt ze zichzelf flink toe als ze ook maar even denkt dat ze niet meer verder kan en dan put ze kracht uit die nacht van toen. „Els, je kan echt nog wel, je hebt dit eerder gedaan.” Aha, een triatlon is óók heel langdurig overleven, is dat het? Ze lacht en zegt: „Misschien.”

De ‘will’ en de ‘skill’

Elk hoofdstuk in haar boek wordt voorafgegaan door een aforisme van bekende sporters en (staats)mannen. Elke crisis is een kans (Marc Lammers). De ‘will’ moet sterker zijn dan de ‘skill’ (Muhammad Ali). De ‘les’ die zij leerde door de ramp, en die ze als inspirational speaker ook graag wil doorgeven aan anderen: „Grijp een kans als die voorbij komt. Bedenk niet eerst eindeloos of het wel een goed idee is. Probeer het maar.” Niet wachten, maar zwemmen. Geen dokter, maar sporter. Geen vast inkomen, een huis, of gezin, maar sponsors, kleine accommodaties en een solitair bestaan. Wie – net als ik – dacht dat 30 een beetje oud is om te beginnen als topsporter: duursporters pieken gemiddeld op hun 35ste. „Voor lange afstanden heb je vooral duurvermogen nodig, en harde spieren. Het kost kilometers en jaren trainen om je lichaam daarvoor klaar te stomen.” En minstens zo belangrijk, zegt zij, is de „mentale kracht” om „niet op te geven” gedurende die uren zwemmen, fietsen, rennen.

Trainen doet ze normaal gesproken in Australië, daar woont haar coach. Ze was eind vorig jaar even naar Nederland gekomen, met de bedoeling weer terug te gaan, maar wegens de pandemie kan dat niet meer. Ze woont nu in een vakantiehuisje in Egmond, dichtbij het enige zwembad in Alkmaar waar nog getraind mag worden. Haar coach mailt haar elke dag haar trainingsschema voor dag erop. „Hij wil dat ik tussen de trainingen door rust pak. Geeft hij me het schema voor drie weken, dan weet hij ook wel dat ik daar van alles tussendoor ga plannen.”

Voor morgen staat er zwemmen en fietsen op het programma. Zijn schema gaat niet lukken, zegt ze. Ze kan ‘maar’ vijf dagen per week in het zwembad terecht. En een tijdje alleen fietsen en hardlopen is geen optie? Nee, zegt ze. „Ik ben zo laat begonnen aan deze sport, ik moet uren inhalen.” En zwemmen is haar ‘zwakste’ onderdeel.