We kijken niet naar iets; we zitten er middenin

Drama In de film ‘First Cow’ van Kelly Reichardt blijft de omgeving klein. Dat heeft juist een groots effect.

John Magaro als ‘Cookie’ in First Cow.
John Magaro als ‘Cookie’ in First Cow. Beeld IFFR

Oh nee. Een boot vaart van links het kader in. De rivier – of is het de zee – is erg breed, vult het hele kader. Moeten we nu echt wachten tot dit lange vrachtschip rechts weer het beeld is uitgevaren? Nee gelukkig, Kelly Reichardt plaagt ons in First Cow. De regisseur laat weten dat dit een langzame film zal zijn, maar ook weer niet zo langzaam. Een zachtgekookt ei, geen hard.

Volgende kader, veel closer ditmaal. Bomen en bladeren, bosgrond, vermoedelijk het landschap dat we achter het water zagen in het eerste shot. Een meisje wandelt met haar hond. Ze raapt een paar takjes op. Weer neemt de regisseur de tijd, maar net als de dooier toch hard lijkt te gaan worden, vindt het meisje iets anders dan een paddenstoel. Een schedel. Een skelet. Nog een skelet.

Hoe lang liggen ze daar al? Het landschap dat we voorgeschoteld hebben gekregen, krijgt opeens geschiedenis. Liggen ze er een jaar, een maand, een eeuw? Sinds 1920? Sinds 1820?

En het lijkt nog wel zo tijdloos, dit landschap, alsof het er altijd is geweest en altijd zal zijn. Bomen en planten veranderen minder snel van vorm dan huizen en kleding. Een spar zag er in 1820 net zo uit als nu, een woning meestal niet. Maar dat tijdloze van landschappen geldt vooral van dichtbij; in Nederland kun je het verleden misschien beter zien in het centrum van een stad, waar het zelfs in Amsterdam nog wel eens 1700 kan lijken, dan op het platteland, waar altijd wel een modern gebouw de horizon vervuilt of verfraait.

En als je het niet kan zien dan kun je het wel horen; autowegen die ruisen als de zee. Of het hele landschap bestaat gewoon niet meer. De Veluwe was in de Middeleeuwen een woestijn.

Charlie Chaplin

Maar hier, in het uiterste noordwesten van Amerika, lijkt het landschap in ieder geval de laatste twee eeuwen constanter; het decor hoeft niet te veranderen om van 2020 naar 1820 te springen en in hetzelfde bos een man te tonen die paddenstoelen aan het zoeken is, die een salamander helpt. Alleen zijn kleding verraadt de sprong in de tijd. Hij lijkt Charlie Chaplin wel; zijn nette kostuum is haast vergaan; hij is een boom, waarvan de bast rafelt en begroeit raakt met mos. Ook de pelsjagers voor wie hij de kok blijkt te zijn doen niet onder voor struiken en dieren. In het boek dat over de film gemaakt is zegt kostuumontwerpster April Napier: „De huizen hadden geen kasten in die tijd. Omdat de mensen niet meer kleren hadden. Ze dragen wat ze bezitten.”

Het zal gaan opvallen dat Reichardt haar omgeving klein houdt; haast nooit krijgen we een overzicht van de omgeving. Van het fort en het landhuis die in dit verhaal een rol zullen gaan spelen krijgen we nooit een totaal te zien. Maar dat heeft juist een groots effect. We kijken niet naar iets; we zitten er middenin.

Binnen die beperkingen toont zich dus een meester: Reichardt heeft het zo weten te filmen dat het is alsof geschiedenis niet bestaat, alsof je een ei tegelijkertijd hardgekookt en zachtgekookt kunt proeven. Quantum magie.

Eigen verleden

Andere kostuumfilms zijn bij deze film vergeleken een opzichtige verkleedpartij; ook al hebben ze hun best gedaan authentiek te zijn, zoals The New World van Terrence Malick.

Het is een risico om zo te denken, je hoeft alleen maar te denken aan de Emmaüsgangers en hoe je je niet kunt voorstellen dat zelfs museumdirecteuren dachten dat dat schilderij door Vermeer in de zeventiende eeuw geschilderd was in plaats van door Van Meegeren in de twintigste. Toch was het zo; in 1937 vond men het zelfs mooier dan het Meisje met de parel of het Gezicht op Delft.

Zo schept elke tijd zijn eigen verleden: het westen van Amerika ziet er in het technicolor van de jaren vijftig heel anders uit dan in het sepia van de jaren zeventig. Elke tijd krijgt een andere Cleopatra (er komt volgend jaar weer een nieuwe, met Wonderwoman Gal Gadot als de koningin). Straks is in First Cow misschien 2020 te herkennen. Nu nog niet.

De western is het enige filmgenre dat naar een plek is vernoemd; het westen van Noord-Amerika. First Cow speelt zich daar ook af, iets noordelijker dan gebruikelijk maar wel in een tijd waarin veel westerns spelen, de negentiende eeuw. In 1820 waren in Oregon nog geen Amerikanen, maar Fransen, Schotten, Russen en Chinezen, allemaal te herkennen aan hun taal, hun houding en hun kleding, net als de mensen die als eerste deze gebieden binnentrokken, duizenden jaren eerder, en heel lang Indianen genoemd zijn. In dit gebied zijn het Chinook. Hun capes van boombast werden speciaal voor de film gevlochten.

De sjablonen van de western figureren nauwelijks in First Cow. Er is bijvoorbeeld geen aandacht voor paarden. Wel voor een koe, dat andere dier dat het landschap van Amerika ingrijpend veranderde (sla Lucky Luke er maar op na), en die koe zet de plot in gang. De factor van een fort in Oregon, een Engelsman, laat een koe overkomen naar zijn afgelegen post, omdat hij graag een wolkje melk in zijn thee heeft.

Hoe het komt dat die koe nauwelijks melk geeft, wat de kok en zijn vriend daarmee te maken hebben, ontvouwt zich in een verhaal zo zoet en zo bitter dat John Wayne zich er geen raad mee zou weten. Een groots klein verhaal, over koeien, kapitalisme en kolonialisme, over oude gewoontes en nieuwe werelden. De koe in kwestie staart met haar grote ogen langs de camera. Ze kijkt er niet in.

First Cow is van 3 tot en met 6 februari te zien op iffr.com. De Big Talk met Kelly Reichardt is op 4 februari, om 17.00 uur. De film heeft nog geen Nederlandse distributeur.