De nieuwe directeur van het IFFR, Vanja Kaludjercic.

Foto Andreas Terlaak

Interview

‘Leuk om te ontdekken dat er zoveel online kan, maar we snakken naar direct contact’

Vanja Kaludjercic Directeur IFFR

De loopbaan van de nieuwe directeur van het Rotterdams Filmfestival, Vanja Kaludjercic (38), is een lappendeken van klusjes. Bij IFFR wil ze meer ruimte voor genrefilm.

Normaliter drinken we begin december koffie met de artistiek directeur van IFFR om het komende festival door te nemen. Het schema is dan klaar, de knusse kantoortjes aan de Karel Doormanstraat zoemen als een bijenkorf van vergaderingen, trainingen, onderonsjes.

Deze vijftigste, virtuele jubileumeditie is anders. Nu resideert de nieuwe directeur, de Kroatische Vanja Kaludjercic (38), in een zee van lege tafels en stoelen op de twaalfde verdieping van Premier Suites Plus, tegenover Rotterdam Centraal. Met fabelachtig uitzicht, dat wel. Het eigen kantoor was te krap, gezien het coronavirus. De zakelijk directeur zorgt voor koffie. De melk is op.

Het liep anders dan Kaludjercic voorzag toen ze Londen voor Rotterdam verruilde om directeur Bero Beyer op te volgen, die naar het Filmfonds ging. In januari schaduwde ze hem gedurende het 49ste festival. „Voor zover ik Bero kon bijhouden, hij is een lange man die heel snel wandelt. Toen zag ik pas echt hoe omvangrijk en druk IFFR is, pfoe! Best intimiderend.”

In de herfst van 2019 hoorde ze op het filmfestival van Toronto dat ze in beeld was als Beyers opvolger. Ze had het naar haar zin bij MUBI, de Netflix voor arthousefilms, voor wie Kaludjercic nog geen twee jaar filmtitels kocht. Achteraf, zegt ze met een droge lach, „koos ze niet echt het ideale moment om bij een streaming platform te vertrekken.”

Verhuisdozen

Ze zou in februari het stokje van Beyer overnemen, kon direct aan de slag met het 50ste jubileum van IFFR. „Het idee was dat ik eerst tussen Rotterdam en Londen zou shuttelen, mijn contacten in de Britse filmindustrie konden nuttig zijn voor dat jubileum. In de Provenierswijk achter Centraal Station huurde ik een prachtig huisje uit 1905 met een tuin. Je verwacht een massief uitdagende, hectische baan vol vergaderingen, nieuwe mensen ontmoeten, films. En boem, na twee weken valt alles op slot en zit je met je twee koffers en een matras in een leeg huis op kaal beton. Want dat Nederlanders bij een verhuizing soms hun vloer meenemen, was nieuw voor mij. Na een paar weken kwamen de eerste verhuisdozen uit Londen aan. Die kon ik als meubels gebruiken. Ik voelde me net een personage uit een Paul Auster-roman.”

Is dat nog altijd zo, in dit vervreemdende kantoor? „We shall overcome”, grinnikt Kaludjercic. „Ik mag echt niet klagen. Een droombaan als het IFFR leiden komt niet vaak langs. Het is zo’n grote, belangrijke organisatie, een verplichting voor de lange termijn. Het is een olietanker, wil je die een beetje bijsturen dan kost dat al minimaal vier, vijf jaar.” Ze is net 38, vrij jong voor een directeur van IFFR. Een kwestie van drive, werklust, intelligentie en zelfvertrouwen, zeggen degene die haar kennen. En ook afkomst, denkt ze zelf.

Magische herinneringen

Kaludjercic komt uit Pula, een toeristenplaats op het Kroatische schiereiland Istrië, uit een familie van ‘pragmatische techneuten’: moeder arts, vader ingenieur, zus researcher aan een Italiaanse universiteit. „Ik ben de vreemde eend in de bijt.”

Ze groeide op terwijl Joegoslavië bloedig uiteen viel en de nieuwe staat Kroatië zichzelf moest uitvinden. „Qua film was er niks. B-films en Hollywood, filmhuizen bestonden niet.” Kaludjercic ging letteren studeren in de Sloveense hoofdstad Ljubljana, film ontdekte ze als 18-jarige vrijwilliger bij een nieuw filmfestival in het bergstadje Motovun pas echt. „Daar liepen allerlei hippe filmmakers uit Kroatië en Europa rond, die sfeer betoverde me. Daar wilde ik bijhoren.”

Het voordeel van culturele deprivatie: alles kan. „In Kroatië deed je het gewoon zelf, ik was dom en dapper. In 2003 vroeg iemand mij in een undergroudbar in Pula te helpen een Human Rights-filmfestival te beginnen in Zagreb, dat nog steeds bestaat. Sure! Dus ik was 20 jaar en directeur. We hadden een enorme zaal, het Student Center, goed voor 1.200 mensen. Ik moest daar voor een film introduceren en verstijfde compleet. Het publiek klapte en joelde, dat zag zo’n doodsbang meisje de zaal inkijken als een konijn in de koplampen.”

Ze weet niet precies hoe dat hobbyisme een carrière werd. In Motovun was ze hoofd kassa en leidde daarna de tachtig vrijwilligers. Ze werkte twaalf jaar voor het filmfestival van Sarajevo, hielp als vrijwilliger van de Cinemateque van Ljubljana het filmhuis Kinodvor opzetten. „Daar begon mijn echte filmeducatie.”

Een romantische tijd: als student reed ze in het weekend met vrienden naar Wenen voor een Wong Kar-Wai-cyclus. In 2004 bezocht ze ook IFFR in Rotterdam. „Dat was iets bijzonders, hoorden we, maar wij hadden weinig geld en goedkoop vliegen bestond nog niet. Een vriend had net zijn rijbewijs en een totaal uitgewoonde auto, dus let’s go! We reden met zijn vijven de hele nacht over de Autobahn, het sneeuwde hevig en de voering van het dak kwam steeds naar beneden.

„De volgende ochtend vroeg parkeerden we naast Centraal Station en sliepen nog wat voor we onze badge konden oppikken in de Doelen. Ik zag die dag vier films. Bij de derde viel ik in slaap en schrok ik wakker toen een enorm afgehakt hoofd op me afvloog. Een film van Takashi Miike, geloof ik.” Wat Kaludjercic trof, was hoe welkom ze zich voelde. „Dat is een zeldzame kwaliteit van IFFR. Je bent geen buitenstaander, je hoort er direct bij.”

Paspoort

Haar loopbaan hangt van ontmoetingen aan elkaar. Als 19-jarige deed ze een cursus filmkritiek in Sarajevo. In een videoruimte vol schurftige sofa’s probeerde ze vat te krijgen op de film Japón van de Mexicaanse filmmaker Carlos Reygadas. „Zo’n kerel zat continu naar me te staren, ik werd er ongemakkelijk van. Zeker toen hij me naar buiten volgde, een sigaret vroeg en wilde weten wat ik van die film vond. Bleek dat Carlos Reygadas te zijn.”

Via Reygadas ontmoette ze de Fransman Philippe Bober, die haar een baan aanbood bij zijn bedrijf Coproduction Office, dat films van Roy Andersson, Ruben Östlund en Ulrich Seidl produceert. In 2008 verkaste ze naar Parijs, leerde Frans en bemachtigde een Italiaans paspoort. „Daar heb je recht op als je ouders in Italië zijn geboren, Istrië was Italiaans voordat Tito het annexeerde. In Frankrijk kreeg ik alleen werk- en verblijfsvergunningen voor drie maanden, dus dan stond je weer om vijf uur ’s ochtends in de rij voor de prefectuur met de andere migranten en waren ze voor de derde keer ‘per ongeluk’ je dossier kwijt. Een ziektekostenverzekering of telefoonaansluiting was onmogelijk, maar na dat Italiaanse EU-paspoort losten alle problemen – poef! – zomaar op.”

Later ging ze aan de slag bij Franse filmfestivals, haar loopbaan is een lappendeken van gigs en klusjes. „Je bent een nomade, een soort seizoenarbeider. Een Frans festival stuurt je naar Hongkong, daar vraagt het filmfestival of je als ‘matchmaker’ Aziatische filmmakers aan Europese financiers wil koppelen. Best spannend, al wil je niet perse 17 baantjes per jaar. Dat verrijkt je netwerk en kennis, maar niet je bankrekening. Je zit continu te puzzelen om rond te komen.”

Rond 2016 besefte ze dat de Franse filmindustrie een informeel plafond voor buitenlanders kent. Ze werkte even in Kopenhagen, koos toen voor een dubbelbaan bij het Nederlands Film Festival in Utrecht en IFFR, waar ze master classes en ‘big talks’ organiseerde. Na twee jaar accepteerde ze een fulltime-baan bij IFFR. Ze had al een appartement gehuurd met uitzicht op de Nieuwe Maas toen MUBI belde. Nu is ze terug in Rotterdam.

Genrefilms

Kaludjercic kijkt terug op een vreemd jaar, maar wie niet? Vorige zomer ontstond al het plan om de 50ste editie van IFFR in tweeën te splitsen: een deel in februari, een deel in juni. „De Berlinale heeft dat idee overgenomen, maar wij hebben ook een inhoudelijk argument: het eerste IFFR was ook in juni.”

Toen ze begin september op het Lido van Venetië een coronavrij filmfestival bijwoonde, droomde ze even van een gewoon festival. „Nederland zat toen op dagelijks twintig, dertig besmettingen. Maar in oktober wisten we het wel.”

Toch zet ze nu al paar accenten. Zo is de openingsfilm van IFFR dit jaar de Deense hitfilm Riders of Justice met Mad Mikkelsen. Voorheen koos IFFR voor eigen premières; kleine, vaak weerbarstige films. Na afloop samen mopperen hoorde net zo bij een IFFR-opening als zure spuitwijn. Kaludjercic is zich van de traditie bewust, knipoogt ze. Maar: „IFFR is voor films die uitdagen, schuren en provoceren, maar ook voor films die amuseren of zelfs behagen.”

Zocht IFFR het in afgelopen decennia in steeds ontoegankelijker, exotischer en jonger, de winst ligt nu ook elders, denkt ze. Bij genre: komedie, thriller, sciencefiction, horror. „Ik wil genrefilms gewoon in competitie. Binnen genres gebeurt esthetisch en intellectueel veel interessants. Vooral ook in Azië, waarin Rotterdam vroeger zo sterk was.”

In 2022 wordt alles weer normaal, denkt ze. „Leuk om te ontdekken dat er zoveel online kan, maar we snakken naar direct contact, dat is onze natuur. Zonder informele, spontane en verrassende ontmoetingen was zoveel waardevols nooit gebeurd. En had ik geen carrière gehad.”