Opinie

NRC en de toeslagen: de bureaucratie kwam meer aan bod dan de ouders

De ombudsman

Het was weer een oplettende lezer die als een van de eersten de vinger op de zere plek legde. Toen dat jaar de Wet op de Kinderopvang was aangenomen, schreef abonnee Dirk Huizinga uit Drachten op 9 september 2005 in een brief op de Opiniepagina dat deze nieuwe taak „wezensvreemd” was voor de Belastingdienst en dus, kon je denken, vragen om moeilijkheden.

Hij was gealarmeerd door het gebruik van het woord ‘toeslag’, dat hier misplaatst zou zijn. Want, schreef Huizinga in een taalkundige diagnose met maatschappelijke voorspellingswaarde: „Bij een ‘toeslag’ moet er [door de burger] bijbetaald worden.” En dat was nou juist niet de bedoeling, dit was een uitkering. Dat de dienst verbaal de plank al „finaal” missloeg, dat beloofde wat.

Ik stuitte op die brief toen ik, na de filippica van Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt over een „kliek” van politici en pers, wat angstig het licht aanknipte in het NRC-archief. Had deze krant ook zitten slapen bij het ‘ongekende’, discriminatoire onrecht, dat in 2019 pas echt aan het licht kwam door onthullingen van RTL en Trouw? Of, zoals Jesse Frederik (auteur van een boek over de affaire) over Haagse berichtgeving opmerkte, had die het volgen van wetgeving verruild voor de waan van de dag?

Ook op de redactie wordt daar nu over gesproken. De chefs Binnenland en Den Haag die ik ernaar vroeg, hebben in een eerste reactie bedenkingen bij het beeld van een alles bepalende „kliek”, maar delen wél de kritiek dat de media, ook NRC, te weinig hebben gedaan aan de uitwerking van beleid, zoals in dit dossier.

Eerder schreef ik hier dat NRC geen grote, laat staan leidende rol speelde toen de zaak aan het rollen was gekomen. Er kwamen degelijke analyses van het „doolhof” aan toelagen en persoonlijke verhalen van gedupeerde ouders – maar voorop liep de krant niet.

Ook niet zo gek, de journalistiek kent zoiets als de wet van de remmende achterstand. Najagen van andermans scoops is voor het peloton al snel lastig en demoraliserend: bronnen stromen naar de losgebroken sprinters of drogen op, en je moet uitkijken voor contra-spin door belanghebbenden die het vuurtje weer snel willen uitstampen. Veel anders dan het nieuws zo zorgvuldig mogelijk volgen zit er soms niet op.

Maar hoe zit het met die eerdere jaren, vóór het schandaal?

In de berichtgeving over fraude speelde NRC in die eerste jaren wél een rol, met name – naast reportages over een gastouderbureau in opspraak – door een onthullende reeks van Joep Dohmen. In 2007 legde hij de chaos bloot bij een overbelaste Belastingdienst, waar de lezer uit Drachten voor had gewaarschuwd. Vijf jaar later, de tijd van de ‘Bulgarenfraude’, kwam er een vervolg met nieuwe onthullingen over (echte) fraude. Die stukken waren voor de Tweede Kamer mede aanleiding een hardere aanpak te eisen. Tegelijk relativeerde het Commentaar van de krant nuchter dat „de gehoorzaamheid van de burger in Nederland juist bijzonder groot” is. Geen paniek dus.

Minder goed nieuws is dat je in die stukken al de contouren kunt zien van het volgende monster, dat de laatste jaren boven water kwam en nu stuiptrekkend aan wal ligt: de onterechte vervolging van vermeende fraudeurs.

In een kader merkte Dohmen in 2007 op dat door het haperen van de Belastingdienst „een derde van de ontvangers de toeslag [huur en zorg] naar verwachting geheel of gedeeltelijk moet terugbetalen”. Sommige columnisten zagen dat later óók, na rapportage door de Nationale Ombudsman. Folkert Jensma schreef in april 2013 een column die je nu nog integraal kan plaatsen, over de staat die zijn burgers is gaan benaderem als „aspirant-profiteurs”.

Volgens de columnist was de nieuwe Fraudewet „gebaseerd op repressie als geloofsartikel”. Hier dreigde het „verder verhogen van terugbetalingsverplichtingen bij een groep die nu meestal niet kan terugbetalen”. Een jaar later fileerde Marc Chavannes de controlerende overheid nog eens als „een tiran met haast”.

Achteraf is het altijd makkelijk praten, maar noch het onderzoek van Dohmen noch de signalen uit de opiniehoek kregen een stevig vervolg in de kolommen. In een kort bericht (100 woorden) over de belofte van minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) aan de Kamer dat hij meer coulance zal betrachten bij „uitkeringsfraude”, wordt eind 2014 nog terloops gemeld dat gedupeerde burgers „torenhoge boetes” betalen, na „vergissingen en kleine overtredingen”. Het relaas van zo’n burger zal pas vijf jaar later de krant halen.

Je kunt daar allerlei verklaringen voor zoeken. Berucht is het gat dat soms tussen deelredacties kan vallen: sociaal-economische en maatschappelijke onderwerpen zijn verdeeld tussen de redacties Den Haag, Binnenland en Economie. Dat kan ertoe leiden dat een bestuurlijk verhaal of een primeur geen vervolg krijgt. Ook personele wisselingen kunnen continuïteit hinderen.

Daarnaast worden wel kanttekeningen geplaatst bij de samenstelling van de redactie: overwegend hoog opgeleid, groot-stedelijk, middenklasse. Hoeveel NRC-redacteuren kennen ouders die „torenhoge” boetes kregen? Al spelen individuele interesse en reporter’s luck natuurlijk ook een rol – een tip of toevallige ontmoeting die je op het spoor zet.

Hier nog mijn eigen spijker op laag water: de mentale grens tussen nieuws en opinie. NRC heeft steeds meer columns gekregen, ook van eigen redacteuren. Daar staat vaak nieuws in, of een eerste aanzet daartoe. De conclusie dat de staat groepen burgers behandelt als aspirant-profiteurs is niet alleen een ‘mening’, maar ook een – verontruste – journalistieke observatie, die prikkelt tot onderzoek. Ook opinies kunnen nieuws worden – net als brieven.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.