Het verborgen venijn in de laatstevergaderingen van de ministerraad

Deze week: discussies over gevoelige kabinetsnotulen, VVD-ergernis over de ‘Rutte-doctrine’, de verwijdering tussen Rutte en Hoekstra. Ofwel: het verborgen venijn in de laatste ‘missionaire’ vergaderingen van Rutte III.

Je hoorde deze week veelzeggende details over de val van Rutte III: de versie, vorige week vrijdag, van een rationele en respectvolle ontslagaanvraag was nogal incompleet.

Er zat verborgen venijn in de laatste vergaderingen van de ‘missionaire’ ministerraad.

Een van de beslispunten was dinsdag en vrijdag of de notulen van eerdere kabinetsvergaderingen over de Toeslagenaffaire openbaar werden zoals Mark Rutte wilde.

Begin januari opperde hij dit in het Catshuis voor het eerst, ogenschijnlijk in een oprisping. Hij reageerde op pleidooien van talrijke bewindslieden, ook Wopke Hoekstra, die meer openheid bepleitten nadat een Kamercommissie geleid door Chris van Dam (CDA) in december de informatievoorziening onder Rutte aan de kaak stelde.

Sinds dit rapport werd de premier doelwit van aanvallen door CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt, die de gesloten bestuursstijl van Rutte aanwees als oorzaak van de Toeslagenaffaire. Zelf noemde ik het op deze pagina ooit zijn gewoonte om openheid te veinzen en beslotenheid te eisen.

Maar nu nam Rutte dus een enorme draai, en hij hield vol: vorige week dinsdagavond stond openbaarmaking van de ministerraadsnotulen nog steeds, als beslispunt 4, op de agenda. Maar ministers die eerder meer openheid bepleitten, waren nu beducht. Dit waren staatsgeheime stukken – de precedentwerking zou enorm zijn. En: om welke notulen ging het precies?

Hierna stuurde Algemene Zaken de data van de betreffende kabinetsvergaderingen rond, zodat ministers zagen dat het ook om vergaderingen van zomer 2019 ging, zoals 12 juli. Het illustreerde het venijn tussen VVD en CDA: volgens aanwezigen zouden CDA-bewindslieden die dag hebben meegepraat over het temperen van Omtzigt.

Dat er van weerskanten hoog spel werd gespeeld had een verklaring. Omtzigt verzette zich jarenlang tegen de aanname dat zijn inspanningen met Renske Leijten (SP) in de Toeslagenzaak politiek gemotiveerd waren. Het ging ze om de ouders.

Maar na de publicatie van de Kamercommissie geleid door Chris van Dam (CDA) opereerden ze evengoed zéér politiek. Leijten vroeg in Buitenhof bijna meteen het aftreden van onder meer PvdA-lijsttrekker Lodewijk Asscher. Asscher vertrok.

Omtzigt attaqueerde vooral de premier met de zogenoemde ‘Rutte-doctrine’. Zijn derde kabinet viel.

Alleen: wat wás de Rutte-doctrine?

Omtzigt had er grote Haagse invloed op. In Op1 zei hij 17 december dat het ging om „achtergehouden informatie” aan de Kamer en de rechter. Hij postte een beeldfragment met zijn uitspraken op Facebook: ‘Waarom de Rutte-doctrine moet verdwijnen’. In Buitenhof zei hij 20 december: „Dat is de doctrine dat de regering bepaalt welke informatie wij nodig hebben.” Tegen de VPRO, 30 december: „De Rutte-doctrine is dat de regering niet precies vastlegt wie het besluit neemt en zélf bepaalt welke informatie ze verschaft aan de Kamer.”

Het bevreemdende was alleen: in het rapport-Van Dam stond dit zo niet. Het begrip kwam er slechts éénmaal in voor.

Dit rapport werd allerwegen ‘snoeihard’ genoemd – maar die hele doctrine bleek boterzacht. In het verhoor van Rutte passeerde een sms van een ambtenaar die het begrip gebruikte. Het leidde in het commissieverslag tot een passage over geweigerde openbaarmaking van stukken, waarbij terloops werd opgemerkt dat dit „bijvoorbeeld” gebeurde „onder het mom van persoonlijke beleidsopvattingen, in overeenstemming met de zogenoemde Rutte-doctrine”.

Dit was alles: een definitie van de doctrine ontbrak.

Nu kent elke journalist het begrip ‘persoonlijke beleidsopvattingen’. Dat gaat om de bijdragen van ambtenaren aan interne beleidsdiscussies, die de overheid ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) niet vrij hoeft te geven. Toen Rutte door de commissie naar de doctrine werd gevraagd, noemde hij dit principe als verklaring.

Alleen: dat principe heeft weinig met Rutte te maken. Die weigeringsgrond staat al in de Wob sinds 1980, toen Omtzigts partijgenoot Dries van Agt premier was. Een stokoude praktijk. Je kon er ook Van Agt-doctrine van maken, Lubbers-doctrine, Kok-doctrine, Balkenende-doctrine.

En tóch hanteerden bijna alle fractievoorzitters dinsdag, in het debat over de val van het kabinet, de Rutte-doctrine als staand begrip. Het liet vooral zien hoe enorm Omtzigts Haagse invloed nu is, en hoe groot de VVD-irritatie daarover: door het boterzachte begrip te definiëren, zette hij de hele Haagse fabriek naar zijn hand.

In het debat kwam Omtzigt deze week niet terug op zijn eerdere definities van de Rutte-doctrine. Wel introduceerde hij ‘de nieuwe Rutte-doctrine’. De aanleiding: zestien Kamervragen over de Toeslagenzaak die allemaal waren beantwoord met: ‘zie het antwoord op vraag 8’. „Dus mijn vraag aan de premier is: neemt hij afstand van de Rutte-doctrine?”

Dit deed Rutte niet, en dit hoefde niemand te verrassen: het waren antwoorden van staatssecretaris Alexandra van Huffelen (Financiën, D66) waarvoor niet de premier maar Wopke Hoekstra staatsrechtelijk verantwoordelijk is – we hebben geen presidentieel stelsel. Toch vroeg niemand of Omtzigt de Hoekstra- of Van Huffelen-doctrine bedoelde.

Nu verbond Omtzigt het debat over informatievoorziening en persoonlijke beleidsopvattingen eerder al met een andere discussie, over artikel 68 van de Grondwet, dat elk individueel Kamerlid recht op regeringsinformatie toekent. Hij sprak dinsdag de premier ook aan op de onwil van het kabinet om aan Artikel 68 te voldoen.

Nu vond vorig jaar februari al een bepalend debat hierover plaats, waarin de Kamer Omtzigt unaniem steunde. Maar hierbij botste de Kamer niet zozeer met Rutte, maar met toenmalig interim-minister Raymond Knops (Binnenlandse Zaken), die Omtzigts motie ontraadde. Knops is partijgenoot van Omtzigt, sterker: hij is de campagneleider van het CDA bij de komende verkiezingen.

Ziehier de verklaring voor de venijnige discussies, vorige week in het kabinet, over de vrijgave van kabinetsnotulen inzake het Toeslagenschandaal. Het was, zoals een betrokkene zei, een „reactie” van Rutte op de geslaagde wijze waarop Omtzigt de premier zaken in de schoenen schoof waarvoor CDA-ministers formeel verantwoordelijk zijn of waren.

Ruttes voorstel over de notulen stelde (CDA-)bewindslieden ook voor een ongemakkelijke keuze. Door openbaarmaking kon bekend worden dat, volgens bronnen met kennis van de notulen, het partijkopstukken als Hugo de Jonge en Wopke Hoekstra waren die zomer 2019 zouden hebben meegepraat over het temperen van Omtzigt. Niet-openbaarmaking kon de kritiek van toch weer toedekken opleveren.

Uiteindelijk koos het kabinet vrijdag, met steun van de CDA-ministers, tegen openbaarmaking, op vooral staatsrechtelijke gronden.

Zo draaide de val van het kabinet, en het Kamerdebat deze week, in feite om drie werkelijkheden.

Rutte werd afgerekend op de gesloten cultuur die hij erfde van zijn voorgangers en die onder hem werd voortgezet, zo niet uitgebreid.

Leijten en Omtzigt lieten zien dat die beslotenheid waarschijnlijk heeft bijgedragen aan het trage tempo waarmee het kwaad van de Toeslagenaffaire aan het licht kwam.

En Omtzigt liet zien hoe je van zo’n affaire een campagne-instrument kunt maken, waarbij hij verwijten aan Rutte uitvergrootte en van een etiket voorzag (‘doctrine’), terwijl hij de verantwoordelijkheid van partijgenoten publiekelijk minimaliseerde.

Ik weet alleen niet of dit laatste voldoende in beeld is gekomen.