Opinie

Witte ‘genieën’ moeten nu de taart delen

Kunstsubsidies Wie vraagtekens plaatst bij de eurocentrische canon ontkent niet de genialiteit van witte makers, aldus .
Foto Zipi / EPA

Het draagvlak voor kunstsubsidies wordt bedreigd door rechts marktdenken en linkse identiteitspolitiek, stelt Kees Vlaardingerbroek in zijn opiniebijdrage Erken ruimhartig het unieke belang van het genie in de muziek (20/1). Kunst is voor rechts een economisch instrument en moet voor links sociale cohesie bevorderen. Artistieke waarden doen er niet meer toe, althans waar het om het verdelen van subsidies gaat.

Dat kunstsubsidies in Nederland onder de utilitaristische VVD zijn gekrompen, is een feit waar vooral veel zzp’ers in de sector nog dagelijks de gevolgen van voelen. Tot zover ben ik het eens met Vlaardingerbroek. Dat diversiteit en inclusie vast onderdeel zijn geworden van de criteria die fondsen en overheden hanteren (altijd naast andere inhoudelijke en artistieke criteria) is ook waar. Mij lijkt dat logisch, in een samenleving die de veelkleurigheid van zijn belastingbetalers graag op podia en in zalen weerspiegeld ziet. De twee zaken hebben op zich weinig met elkaar te maken, maar leiden samen wel tot Vlaardingerbroeks pijnpunt: de taart is kleiner geworden, en moet ook nog eens met een diverser gezelschap worden gedeeld.

Geprivilegieerd mens

Vlaardingerbroek vreest dat componisten als de Amerikaan John Adams hierdoor straks niet genoeg ruimte meer krijgen om hun genialiteit te tonen, „want ‘oude witte man’”. Ook Bach, Händel en Verdi lijkt hij tot deze bedreigde diersoort te rekenen. Als we niet oppassen, hebben we straks alleen nog maar „multiculturele verplichte nummers”, aangevuld met wat „neoliberaal entertainment”.

Lees ook: Zeurende zelfhaat in de kunstwereld? Welnee!

Je zou kunnen zeggen dat Vlaardingerbroek zijn voorbeelden slecht heeft gekozen. Bach, Händel en Verdi staan veelvuldig op de internationale concertprogramma’s. En Adams heeft het van alle niet-dode componisten het allerbeste voor elkaar, met ook in Nederland operaproducties, uitvoeringen door toporkesten en topensembles, artistieke residenties en een Erasmusprijs. Hij weet ongetwijfeld dat hij een geprivilegieerd mens is, wiens talent (terecht!) nooit een strobreed in de weg is gelegd. En ook dat hij voor die door Vlaardingerbroek geroemde invloeden uit pop, jazz en folk (niet dat hij daar uniek in is, overigens) heeft kunnen putten uit het werk van geniale makers vóór hem met de meest diverse achtergronden.

Oikofobie

De vraag is dus waarom Vlaardingerbroek meent het dan toch voor hem en zijn collega-genieën te moeten opnemen. Kunnen ze die taart echt niet delen? Het lijkt erop dat Vlaardingerbroek meent dat het concept ‘genie’ niet alleen in het Westen is uitgevonden, maar dat het aanwijzen van genieën dus ook een interne, westerse aangelegenheid moet blijven. Wie vragen stelt bij onze canon, of wijst op het eurocentrische of patriarchale karakter ervan, beweegt mee met „onze ‘inclusieve’ tijd”. Zijn observatie dat dit „vooral in het Westen zelf” voorkomt, echoot Baudets oikofobie, maar is vooral onjuist, want ook elders op de wereld worden vraagtekens bij de eurocentrische canon geplaatst – en dat, net als hier, meestal zonder de kwaliteit van het werk zélf in twijfel te trekken. Het is een onjuiste aanname dat wie zulke vragen stelt daarmee ook de genialiteit van Vlaardingerbroeks helden ontkent.

Hij geeft dat zelf impliciet toe als hij stelt dat de westerse klassieke muziek wereldwijd liefhebbers heeft. Gelukkig weten velen van hen ook dat er méér op de wereld is. Dat genialiteit vele definities en verschijningsvormen kent. En dat pluriformiteit de wereld, de muziek en onszelf kan verrijken (en dat al eeuwen doet) – zeker als we ons niet alleen maar zorgen maken over ons eigen stukje van de taart.

Pijnlijk wordt het aan het slot. De ‘opvolger’ van Adams zou „zomaar eens een vrouw of een componist van kleur zou kunnen zijn”. Alsof er niet al vele briljante ‘diverse’ componisten zijn geweest, met vaak wisselende kansen om zich te manifesteren. En alsof er op dit moment niet een enorme diversiteit aan opvolgers onder ons is. Laten we hun dus vooral óók ruim baan (en subsidie) geven. De muziek van Bach en Adams is zo geniaal, die overleeft dat wel.