Verdachte achtergrond: dubieuze objecten in museum Allard Pierson

Archeologie Veel archeologische musea maken nauwelijks duidelijk hoe hun collectie tot stand is gekomen. Ook het Allard Pierson in Amsterdam niet.

De rond 550 v.Chr. gemaakte Pierson-vaas is gekocht bij Sotheby’s in Londen in de jaren tachtig, dat toen veel illegale oudheden op de markt bracht.
De rond 550 v.Chr. gemaakte Pierson-vaas is gekocht bij Sotheby’s in Londen in de jaren tachtig, dat toen veel illegale oudheden op de markt bracht. Foto Allard Pierson

Aan de Griekse drinkschaal zelf is niets verdachts te zien. Twee mannen met lansen in de hand staan tegenover elkaar. Bij een van hen staat de naam van de Trojaanse held Aeneas. De vaste bezoeker van het Allard Pierson, het museum met erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam, herkent de rond 550 voor Christus gemaakte vaas misschien, want lange tijd had de Pierson-vaas genoemde drinkschaal een prominente plek. In de nieuwe ‘vaste’ tentoonstelling Van Nijl tot Amstel, over 10.000 jaar cultuurgeschiedenis, staat hij in de toegankelijke studiecollectie. Zonder informatie, zeker niet over de herkomst.

Hier had vermeld kunnen worden dat al lang bekend is dat hij een verdachte achtergrond heeft: hij is gekocht bij Sotheby’s in Londen in de jaren tachtig, toen dat veilinghuis als een witwasmachine fungeerde en veel illegale oudheden op de markt bracht; later dook een ontbrekende scherf op bij een ‘respectabele’ handelaar, die door de Italiaanse justitie echter ook genoemd is in duistere zaken. Wat het museum niet kon weten, maar nu duidelijk is geworden door onderzoek van NRC en na identificatie van de vaas door onderzoeker Christos Tsirogiannis van het Aarhus Institute of Advanced Studies, is dat er twee polaroidfoto’s bestaan die bewijzen dat de vaas illegaal is opgegraven. De foto’s zijn in 1995 door de politie in beslag genomen bij Giacomo Medici, een van de bekendste veroordeelde handelaren in illegale oudheden. De vaas was op de polaroids te zien in stukken, en is voor de veiling gerestaureerd. Die ene scherf, waarop de naam Aeneas voorkwam, is apart verkocht.

Polaroid van de Pierson-vaas na restauratie. De foto is in 1995 door de politie in beslag genomen bij Giacomo Medici, een veroordeelde handelaar in illegale oudheden.
Polaroid van de Pierson-vaas in stukken. De foto is in 1995 door de politie in beslag genomen bij Giacomo Medici, een veroordeelde handelaar in illegale oudheden.
De twee polaroids van de vaas.

Het is geen verrassing dat er in de collectie van het Allard Pierson een illegaal opgegraven Griekse vaas is opgenomen. Al in 2009 meldde NRC dat in de collectie nog meer oudheden zitten waarvan het aannemelijk is dat ze pakweg in de jaren 1960-2000 illegaal zijn opgegraven. Drie oud-directeuren hadden hiervoor verzachtende verklaringen, maar ontkenden het niet.

Van dat verzamelverleden laat het museum nog steeds opvallend weinig zien. In het kabinet over de Etrusken liggen een helm en twee scheenbeschermers waarvan alleen wordt vermeld dat ze van brons zijn, en uit de periode 450-375 v.Chr. stammen. Geen woord over het feit dat ze gekocht zijn bij een dubieuze Italiaanse handelaar. Op de Romeinse afdeling staat bij een mozaïekfragment met een vetstaartschaap wel dat het uit ongeveer 10.000 steentjes bestaat, en dat andere fragmenten zich bevinden in musea in Parijs, Hannover en Kopenhagen, maar niet dat het ooit illegaal is opgegraven, in stukken gehakt en via een Duitse kunsthandel verder is verspreid.

Loyaliteit met voorgangers

Het zijn slechts enkele voorbeelden, want in de collectie, blijkt uit een inventarisatie van de aankopen tussen 1965 en 2009, zitten ruim honderd objecten waarvan de verwerving met vraagtekens is omgeven: hun herkomst en verzamelgeschiedenis is onduidelijk, ze zijn nooit eerder dan in het vriendenblad van het museum gepubliceerd en er zijn geen bewijzen dat ze bekend waren uit een collectie of een opgraving voor 1970, het jaar van de Unesco-conventie inzake illegale handel in culturele goederen.

Het Allard Pierson is niet de enige instelling met illegale oudheden in zijn collectie. Wereldwijd hebben talloze musea in de tweede helft van de vorige eeuw illegale oudheden verzameld, officieel altijd te goeder trouw. Terwijl etnografische musea de laatste jaren vertellen hoe hun collecties tot stand zijn gekomen, gebeurt dat bij archeologische musea nog nauwelijks.

Het wordt tijd voor kritische zelfreflectie Mirjam Hoijtink universitair docent

„Gezien de al jaren bestaande academische belangstelling voor de handel in illegale oudheden en biografieën van objecten en collecties, vertellen archeologische musea verrassend weinig over de verzamelgeschiedenissen van hun objecten”, stelt Mirjam Hoijtink, universitair docent museum studies aan de UvA. „Als ze dat al eens doen is dat vol glorificatie en legitimatie. De conservatoren die dergelijke tentoonstellingen over de verzamelgeschiedenis maken, doen dat meestal uit piëteit voor en loyaliteit met hun voorgangers. Het wordt tijd dat ze eens aan kritische zelfreflectie gaan doen.”

„We willen niets verbloemen”, reageert Wim Hupperetz, directeur van het Allard Pierson. Door de herinrichting en het samenvoegen van het archeologische museum met de Bijzondere Collecties in 2018 is het er volgens hem nog niet van gekomen om goed aandacht te besteden aan dit aspect van de collectievorming. „Maar we gaan ermee beginnen.”

Een goede vraag zou zijn: hoe zou dat moeten? Welke (extra) verhalen over het eigen verleden zou het museum kunnen vertellen? Op de museumwebsite staat al dat het museum in 1934 is opgericht na de aankoop van de privéverzameling van een Haagse bankier, die door de economische crisis van 1929 in de problemen was gekomen. Over de eerste directeur, hoogleraar klassieke archeologie Geerto Snijder, wordt verteld dat hij na de Tweede Wereldoorlog tot twaalf jaar gevangenisstraf is veroordeeld, omdat hij president van de Nederlandse Kultuurraad is geweest. Opvallend, want zijn naam was lang taboe in het museum. „Verschillende medewerkers van het museum hadden een traumatisch oorlogsverleden”, legt conservator Geralda Jurriaans uit. „In 2009, toen het museum 75 jaar bestond, hebben we voor het eerst een foto van Snijder in het vriendenblad afgedrukt. Oud-directeur Jaap Hemelrijk was woest. Wij zijn van een generatie die er geen moeite mee heeft om Snijder, zonder wie het museum er niet was geweest, te noemen. Alleen zal hij geen geschilderd portret krijgen.”

Over de flamboyante hoogleraar Hemelrijk, twee jaar geleden op 92-jarige leeftijd overleden, is te lezen dat hij het voor elkaar kreeg dat het museum in 1976 kon verhuizen naar de huidige locatie, het voormalige gebouw van De Nederlandsche Bank aan de Oude Turfmarkt. Onder hem „slaagde men erin belangrijke voorwerpen en verzamelingen te verwerven”.

Onvermeld blijft dat Hemelrijk en de twee directeuren na hem rekkelijk waren bij de verwerving van objecten. Op herkomst en verzamelgeschiedenis letten ze niet goed. Zij waren simpel gesteld geen gravende archeologen die uit de context van vondsten hun kennis haalden, maar verzamelaars die vooral geïnteresseerd waren in iconografie en de stijl van een kunstenaar.

Bij het veilinghuis Sotheby’s kochten ze enkele tientallen oudheden en bij Christie’s ruim twintig objecten. Op zich niets mis mee, maar door publicaties sinds 1997 van onder meer de Engelse journalist Peter Watson staat vast dat veel van die oudheden waarschijnlijk illegaal zijn opgegraven. De Pierson-vaas is een tastbaar bewijs ervan.

Een andere bron van aanwas was de kunsthandel. Zo bezocht het museum meermaals Palladion Antike Kunst in Bazel, waar de mooiste oudheden waren uitgestald. De eigenaar, Gianfranco Becchina, kookte dan een bordje pasta voor ze. En het museum ging niet met lege handen weg. In 1978 kocht het vier kleine Griekse terracotta toneelmaskers, die tussen 300 en 100 v.Chr. bij Centuripe op Sicilië als votief zijn gebruikt. In 2011 is Becchina in Italië veroordeeld als spil in de handel in illegale oudheden.

Filmpje van bekende grafrover

Uit Centuripe komt ook de veelkleurige pyxis, een Griekse kom met een deksel, die het museum in 1997 op de Tefaf in Maastricht heeft gekocht bij de Zwitser Herbert Cahn. Vier jaar geleden eiste de Italiaanse politie de vaas terug, omdat hij in de jaren zeventig illegaal zou zijn opgegraven. Op een oud filmrolletje van een kleinzoon van een bekende grafrover en vervalser, stond exact dezelfde vaas. „De erfgoedinspectie en juristen hebben naar de zaak gekeken”, zegt directeur Hupperetz. „Ze stelden vast dat er geen hard juridisch bewijs was dat de vaas illegaal was opgegraven.” Aan de andere kant kon het museum geen bewijs tonen dat de vaas ooit met een vergunning was geëxporteerd. „De zoon van Cahn, die de zaak van zijn intussen overleden vader had overgenomen, kon desgevraagd geen documenten leveren.” Voor Hupperetz was één ding wel zeker: „De zaak stonk.” Als gebaar stelde hij voor dat Centuripe de nieuwe eigenaar zou worden, maar dat de pyxis direct weer als bruikleen aan het museum zou worden gegeven. De Siciliaanse archeoloog die alle bureaucratische rompslomp zou regelen kwam om bij een vliegramp, en sindsdien heeft Hupperetz niets meer uit Sicilië gehoord. Het zou hem niet verbazen als ook een dekschaal op hoge voet en een terracotta schild illegaal zijn opgegraven. „Die komen ook uit Centuripe en zijn samen met de pyxis bij Cahn op de Tefaf gekocht.”

Ook de relaties met verzamelaars mogen niet onvermeld blijven. Ze werden begeleid bij hun aankopen, getipt als er iets interessants op de markt kwam en regelmatig werden hun objecten in het vriendenblad of een andere publicatie beschreven. Dat betaalde zich uit. De ene keer kon het museum iets voor een vriendenprijs kopen, de andere keer kwamen objecten via bruiklenen of schenkingen in de collectie.

Etruskische sfinxkop, geschonken door een verzamelaar die een stichting voor het behoud van cultuurbezit had opgericht.
Foto Allard Pierson
Pyxis, gekocht op de Tefaf in 1997 bij een Zwitserse handelaar.
Foto Allard Pierson
De sfinxkop en de pyxis.
Museum Allard Pierson

Sinds 2016 eert het museum enkelen van die verzamelaars in het Verzamelaarskabinet. Maar terwijl in het vriendenblad werd gezegd dat sommigen hun collecties kregen met methoden die dubieus te noemen zijn, „zelfs naar de maatstaven van hun eigen tijd”, vertelt het kabinet niets daarover. Een Nederlandse archeoloog die zo nu en dan een zak scherven uit Italië meebracht en de verzamelaar die een stichting voor het behoud van cultuurbezit had opgericht, blijven helemaal in nevelen gehuld. Over laatstgenoemde gaat in de academische wereld het verhaal dat hij in Italië een Etruskische tombe had gevonden en leeggehaald. Dat verklaart waarom bij een door hem geschonken Etruskische sfinxkop uit Veii in een publicatie wordt vermeld dat die uit dezelfde tombe komt als vier fragmenten met sfinxklauwen die later in de collectie zijn terechtgekomen. „In 2009, toen ik directeur werd, hebben we alle bruiklenen van hem en nog een of twee andere verzamelaars afgestoten”, licht Hupperetz toe. „Het had er te veel de schijn van dat het museum was gebruikt om ze een respectabele herkomst te geven.” In de collectie zitten nog wel ongeveer vijftig andere objecten die de verzamelaar heeft geschonken of verkocht. Alle zonder een goede verzamelgeschiedenis.

Opgedoken uit een wrak

Soms kocht het museum gewoon aan de deur, ontdekte Hupperetz. „Een sportduiker uit België is in 1982 meerdere keren langsgeweest voor de verkoop van 35 kommen, een amfoor en een stuk van een anker”, zegt hij. De oudheden bleken afkomstig uit het in 1976 door archeologen ontdekte scheepswrak van Capistello (Sicilië). „We hebben de objecten uit onszelf teruggegeven. In 2020 zijn ze officieel aan Sicilië overgedragen.”

Ook de helm en scheenbeschermers in het Etruskische kabinet zijn als het ware aan de deur gekocht, blijkt uit correspondentie, waarvan NRC een kopie heeft. Op briefpapier van een hotel in Keulen biedt ‘handelaar’ A. La Selva eind 1979 het museum een bronzen kuras aan. „The armour is as originally found.” Als het museum interesse heeft, zal hij het persoonlijk naar Nederland brengen. Het museum antwoordt „erg geïnteresseerd” te zijn, mits het kuras „in uitstekende conditie” is. Geen enkele vraag over herkomst, wel het verzoek zo snel mogelijk langs te komen. Later laat La Selva weten dat het kuras helaas al verkocht is, maar hij heeft een ander in de aanbieding, van nog betere kwaliteit. Uiteindelijk gaat de aankoop bij La Selva door, alleen niet van een kuras, maar de helm en scheenbeschermers.

Tijdgeest, andere maatstaven en andere regelgeving worden door de huidige conservatoren als verzachtende omstandigheden genoemd. Inderdaad, alle archeologische musea verzamelden in die jaren ook illegale oudheden. Uit memoires en getuigenissen van internationale museumdirecteuren en conservatoren is echter ook duidelijk geworden dat ze allemaal wisten dat er een luchtje aan hun oudheden zat.

Door alle media-aandacht voor restitutie heeft het publiek veel belangstelling voor eigenaarschap, zegt docent Hoijtink van de UvA. „Juist om duidelijk te maken dat het grootste deel van collecties volgens wettelijke regels is verzameld, zouden archeologische musea er goed aan doen de uitzonderingen extra te belichten. Dat kan door contact te zoeken met historici en cultuurhistorici. Verwervingsgeschiedenis geeft juist een extra betekenis aan objecten: ze tonen waar objecten geworteld zijn en welke mensen ermee verweven waren. Het Museo Egizio in Turijn besteedt bijvoorbeeld aandacht aan de Egyptische arbeidskrachten bij de opgravingen in koloniale tijden.”

De studenten vragen ook om meer rekenschap, merkt Hupperetz. Het museum is daarin tekortgeschoten, geeft hij toe. Binnenkort zal in het Verzamelaarskabinet en via een digitale toepassing over enkele dubieuze objecten worden verteld hoe ze in het museum zijn terechtgekomen. „Dat beloof ik.” Gaat het museum ook nog alle oudheden onderzoeken die tussen 1965 en 2009 zijn verworven? „Misschien moeten we daar een apart project van maken.”