Politiepaarden zijn geen wapens

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week: Het ontzag van het publiek voor politiepaarden berust op hun onberekenbaarheid.

Bereden politie treedt op tegen coronademonstranten in Amsterdam, vorige week zondag.
Bereden politie treedt op tegen coronademonstranten in Amsterdam, vorige week zondag. Foto Robin van Lonkhuijsen/EPA

Met bewondering, maar ook met bezorgdheid keek de buitenstaander naar de manier waarop de Amsterdamse bereden politie afgelopen zondag de coronademonstranten van het Museumplein verdreef. Het liep goed af. Er werd zwaar vuurwerk naar de paarden gegooid, ze werden zelfs met wapens aangevallen maar op een enkele uitzondering na wisten de dieren hun kalmte te bewaren. In rustige draf ging het in nieuwe charges steeds weer op de menigte af en elke keer week die onmiddellijk. Een video van NH Nieuws laat het zien. Ongelukken deden zich niet voor.

De grasmat van het Museumplein bood de ruiters ook voldoende ruimte om de charges ‘model’ uit te voeren en om na afloop weer te hergroeperen. Eigenlijk stonden alleen wat verspreide voertuigen en politieagenten-te-voet in de weg. Er zijn YouTube-films van charges die minder mooi verliepen. Bij een studentendemonstratie in Londen, december 2010, werd een effectief politiekordon onverhoeds door de eigen bereden politie opengebroken. In de daaropvolgende mêlee zie je ruiters hard met elkaar in botsing komen. Bij een antiracismedemonstratie in juni van het afgelopen jaar, ook in Londen, werden zoveel flessen, blikjes en stenen naar de paarden gegooid dat die schichtig werden. Uit het gewoel duikt een ruiterloos paard op dat er verwilderd vandoor gaat en en passant een demonstrant omver loopt.

Vriendelijke uitstraling

In 2015 publiceerden de universiteit van Oxford en de RAND Corporation een verslag van een onderzoek naar het bestaansrecht van de – dure – ‘mounted police’. Het interessantst daarin zijn de waarnemingen en conclusies van de politie zelf. Het ontzag van het publiek voor politiepaarden berust vooral op de onberekenbaarheid van de imposante dieren die de politieruiters nooit helemaal in bedwang hebben. Het publiek is de paarden zelf nooit vijandig gezind omdat die, anders dan honden, niet als ‘wapen’ worden beschouwd. De inzet van bereden politie escaleert veel minder dan het verschijnen van politie in volledige ME-uitrusting. Een typisch voordeel van politie-te-paard is verder dat het publiek de ruiters van verre kan zien, en dat ook de ruiters zelf makkelijk met elkaar oogcontact houden. Dit zijn zo van die waarnemingen uit de RAND-enquête. Maar er waren ook respondenten die vonden dat je paarden niet langer kon blootstellen aan bombardementen met flessen, stenen en vuurwerk. Ze vonden hun rol bij ordehandhaving en ‘crowd control’ te zwaar. Het is opmerkelijk dat het RAND-rapport aanraadt bereden politie vooral te reserveren voor surveillance in de wijken. Interessant genoeg maakt het publiek makkelijker contact met een politieagent te paard dan een agent-te-voet. Het zal aan de vriendelijke houding van het paard liggen.

Wie het graag wilde zag zondag in het optreden van de bereden politie nog voldoende verwantschap met een klassieke negentiende-eeuwse cavaleriecharge, al was het niet bepaald ‘the charge of the light brigade’ uit de Krimoorlog. Een cavaleriebrigade omvatte soms meer dan 1.500 ruiters en in Amsterdam zag je er niet meer dan vijfentwintig. Bovendien leek de bereden politie met haar helmen en beenbeschermers eerder op middelzware dan op lichte cavalerie. En we weten dat de Britse charge tegen de Russen bij Balaclava pijnlijk mislukte.

De klassieke cavaleriecharges werden met veel hogere snelheid uitgevoerd dan de charges van de politie, dat is een belangrijk verschil. Doel was niet om de infanterie achteruit te dringen, maar om die onder de voet te lopen en neer te sabelen. Of liever nog: in woeste paniek te laten vluchten. De paarden kwamen niet in draf maar in galop, op het laatst zelfs in ‘renloop’ aanzetten. In zijn boek over tactiek in Napoleontische tijd stelt militair historicus Rory Muir de finale naderingssnelheid op 22 km/u, anderen komen nog veel hoger uit. En de paarden liepen nagenoeg flank aan flank, een aanvallend eskadron van 160 ruiters, in twee rijen achter elkaar, verscheen als een ‘absoluut gesloten muur paarden’ van 90 meter breed.

Elk schot dat op die muur gelost werd moest natuurlijk wel min of meer raak zijn, maar alleen ervaren infanteristen bewaarden zoveel kalmte dat ze ook aan richten toekwamen. Dan nog: de cavalerie naderde zo snel dat er maar één salvo gelost kon worden. En paarden of ruiters die getroffen waren konden nog vele seconden doorlopen voor ze neervielen, genoeg om de rangen te bereiken.

Drie of meer rijen dik

Infanterie die in linie stond opgesteld werd altijd overlopen. Alleen infanterie die zich tijdig per compagnie of bataljon in een gesloten vierkant of rechthoek (een carré) had weten op te stellen kon cavalerieaanvallen weerstaan, zeker als de carré zijden had van drie of meer rijen dik. Paarden waren er nauwelijks toe te bewegen daar in te dringen. Op afbeeldingen van beroemde veldslagen zijn de carrés goed te herkennen.

Rond 1870 gaat de dreiging van cavaleriecharges afnemen, de Militaire Spectator van 1868 zag het al aankomen. De infanterie wordt steeds meer uitgerust met achterlaadgeweren die eenheidspatronen verschieten. Per man kon wel drie of vier keer op aanstormende cavalerie worden gevuurd voor die de formatie had bereikt. Repeteergeweren en mitrailleurs waren nog effectiever. Later komt er dan nog het ‘stekeldraad’ dat we nu als prikkeldraad kennen. In prikkeldraad zou een politiecharge ook onherroepelijk vastlopen.