Ernestina van de Noort foto: Frank Ruiter

Interview

Flamenco leerde haar dansen op rouw en verdriet

Lunchinterview Ernestina van de Noort (57) biedt met de Flamenco Biënnale een serieus podium aan de flamenco die ze zo liefheeft. „Flamenco is haat-liefde, ik ben er bijna bang voor.”

Verspreid over de vloer liggen grote vellen volgeschreven papier, en daartussen staat Ernestina van de Noort (57). Handen in haar zij, handen in het woeste haar en dan weer in de lucht. Ze pakt het ene na het andere papier met daarop de schema’s voor de Flamenco Biënnale, het tweejaarlijkse dans- en muziekfestival dat ze sinds 2006 in januari en februari organiseert. Haar stem schiet zangerig de hoogte in. „Dít gaat niet door, dát gaat niet door, en dát was gewéldig, maar helaas.” Het programma wás al teruggebracht van twaalf steden naar drie en ze had zich al neergelegd bij alles online streamen, maar na een nacht zonder slaap heeft ze besloten dat dat ook niet door kan gaan. „Om nu al die internationale artiesten in te laten vliegen… die dan voor lege zalen moeten spelen… nee.”

Maar, „tadááá”, ze is een vechter, zegt ze, iemand die altijd kijkt wat er wél kan, en binnen een dag heeft ze bedacht en geregeld hoe ze een deel van het programma kan redden. „De Spaanse artiesten in Spanje laten spelen, dat was de oplossing.” Vanuit Café Berlin in Madrid zullen de optredens te volgen zijn voor aficionado’s, liefhebbers, wereldwijd. De theaters daar zijn wel open, en er mag zeventig man publiek bij. Eén klein voorbehoud, de avondklok die in Spanje al geldt, moet niet worden vervroegd.

Ze heeft ook voor elkaar gekregen dat er gefilmd kan worden bij Rocío Molina thuis, een „exceptionele dansmaker, totaal eigengereid”, én ze gaat een documentaire uitzenden, schrijvers en muzikanten uitnodigen voor online interviews. „Ik zie alleen maar kansen.” Ze draait zich op haar hakken om. „Thee?” Het is vrijdagmiddag en al donker in het klaslokaal dat haar kantoor is, ze draait al pratend de lampen net zo lang tot het licht naar haar zin is en gaat aan de design vergadertafel zitten.

Niemand had het haar kwalijk genomen als ‘haar’ festival was afgelast of uitgesteld. Waarom moet en zal ze door? En, nu ik toch bezig ben, waarom wil zij, met haar roots in de Achterhoek, de flamboyante flamenco zo graag naar Nederland halen? Er volgt een melodieuze kreet. „Aaah.” Ze heeft, zegt ze, op deuren gebonkt, haar hakken in het zand gezet, gestreden om flamenco geaccepteerd te krijgen als serieuze podiumkunst. Niet de flamengo met een g (zoals in de vogel) met de clichés van ‘olé olé’, castagnetten en stippenjurken. Tot in de kleedkamers controleert zij de artiesten. „Een beetje traditioneel gekleed mag, maar niet té en zeker geen noppen.”

Zij wil Nederland kennis laten maken met de cathartische, de zuiverende expressievorm die flamenco is. De zang, de dans en muziek die ontstonden bij een zigeunervolk dat zich vermengde met Spanjaarden. Afrikaanse invloeden, Indiase, joodse, Caribische én Arabische. Na veertien jaar heeft ze de flamenco gebracht waar het thuishoort, op de grootste podia van Nederland, België en Slovenië en daar laat ze zich niet zo maar afjagen, ook niet door een virus.

Haat-liefde

Iets van wat ze zelf beleefde – „reizend, wonend en dansend in Spanje” – wil ze doorgeven. „De weldaad om je over te geven aan een ritme en dat in je lijf te voelen.” Was ze danseres? Ze lacht. „Gefrustreerde danseres.” Ze begon met jazz- en klassiek ballet, maar te laat. „Op m’n vijftiende, en ik was – ze maakt een cirkel rond haar taille – een beetje bollig.” Pas veel later, ná de mavo, de havo en halverwege haar vertaalopleiding (Engels en Frans), ontdekte ze wat dans ook kon zijn. „Ik was au pair in Genève en ik zag Carmen, de beroemde film van Carlos Saura.” De film ontketende een flamencorage in Europa. „Ik was bouleversée zoals de Fransen zeggen.” Ondersteboven, bevangen. De zomer daarop liftte ze met haar hartsvriendin naar Spanje, stortte zich in de zomerfestivals, en raakte zo flamencoverslaafd.

Na die zomer ging ze in Amsterdam studeren – „eindelijk” aan de universiteit. Spaanse taal- en letterkunde natuurlijk, en in het derde studiejaar vertrok ze met een beurs naar Madrid. ’s Ochtends flamencolessen bij dansacademie Amor de Dios, ’s middags bezweet in de collegebanken.

Na drie maanden was ze flamenco spuugzat. „Lijden was het. De dans is zo verschrikkelijk complex, het ritme zo moeilijk te ontcijferen.” Er zijn flamencoritmes van twee, drie, zelfs twaalf tellen. „De docenten kafferden je uit als je het verkeerd deed.” Ze gaf flamenco „een schop” en stapte over op salsadansen. „Véél makkelijker.” Ze laat zich slap achterovervallen in haar stoel als ze daaraan denkt. Dat jaar, 1989, was ze even de ‘queen of salsa’ in Madrid, ze danste van bar naar bar. „Ik mocht overal gratis binnen, want ik trók publiek.”

Olé is de verbastering van het Arabische inshalla

De liefde voor de flamenco kwam terug. „Haat-liefde is het. Ik voel diep respect én ik ben er bijna bang voor. De artiesten, als ik in hun buurt ben, ze zijn bijna heilig voor me.” Ze staat op om losse A’4-tjes te pakken waarop dichters en filosofen woorden geven aan wat ze bedoelt te zeggen. Flamenco is ‘sentimiento trágico de la vida’, de viering van het tragische en vrolijke, het is schoonheid en troost, strelen en knijpen, het is opzwepend en ontregelend. De cante jondo, de diepe zang die „wordt geboren uit de eerste snik”. De duende, de betovering, ontstaat wanneer zangers, dansers, klappers, muzikanten én publiek boven zichzelf uitstijgen en „irrationele krachten” vrijkomen. Dát is het moment waarop er olé geroepen mag worden, een verbastering van het Arabische ‘inshallah’. „De tijd lijkt stil te staan, je geeft je gezamenlijk over en dat werkt louterend, reinigend. Letterlijk.” Ze aait over haar armen. „Ik herinner me hoe zacht mijn huid was na een nacht zweten op flamenco of Cubaanse son.”

Laat de geremde Nederlander zich wel meeslepen? „Wij hebben geen vitale, volkse muziekcultuur meer.” Ze neuriet Driekusman, het enige dansliedje dat ze zich uit haar jeugd herinnert, over een onmogelijke liefde. „Als ik door mijn festival een paar zielen kan winnen, die klappend en getroost de zaal uitkomen, dan ben ik blij.” Zij wil de ervaring doorgeven die ze zelf zo heeft gemist, zegt ze. „Ik kom uit een ongelofelijk matig milieu.” Ze metselt met haar handen denkbeeldige muurtjes. „Regels. Alles precies afgemeten.” Haar ouders „typische naoorlogse harde werkers”.

Angsten bedwingen

Haar vader moest als oudste zoon van de mulo af om in het familiebedrijf te werken. Garage Van de Noort, het gezin woonde erboven. Haar moeder was een slimme vrouw, zegt ze, maar chronisch depressief omdat ze „haar potentieel niet kon benutten”. Ernestina, de oudste dochter, was met haar harde stem, haar heftige emoties en koppigheid („géén korfbal”) al snel te „aanwezig”. Ze was puber toen haar opa overleed. Rouwen mocht alleen stilletjes achter een zwart velours gordijn. Over de dood werd niet gesproken.” Haar angst ervoor probeerde ze te bedwingen door handelingen te tellen (tandenpoetsen, handenwassen, tegels aantikken). En dát, ze wordt er nog emotioneel van als ze het vertelt, werd pas wat minder toen ze haar hartsvriendin ontmoette. „Haar vader was mijn wiskundeleraar op de mavo, haar moeder tekenlerares.” En zij mocht mee op hun vakanties naar het buitenland. Zij werden de „culturele pleegouders” die haar gaven wat ze tekort was gekomen.

„Wijn?”, vraagt ze. Ze zet sardientjes en makreelsalade op tafel. Ze is haar milieu ontgroeid, zegt ze. In Spanje vonden ze haar schreeuwerigheid en gegesticuleer doodnormaal. „Het land paste me toen als een jas.” Flamenco leerde haar dat je kunt dansen op verdriet. „De verschrikkelijkste drama’s worden bezongen op een feestritme.” De troost van muziek, zegt ze, vindt ze ook bij Bach. „Er ontglipt me wel eens een olé bij een klassiek concert.” Of bij jazz. Die leerde ze kennen door de Cubaanse jazzpianist met wie ze acht jaar was, de enige man met wie ze ooit samenwoonde. Het eerste evenement dat ze organiseerde, in 2000, was een Cubaans muziekfestival.

Ik ben ook dat meisje uit Lochem met bewijsdrang. ‘Kijk, ik kan wel wat’

Haar eerste Flamenco Biënnale was een soort „arbeidstherapie” om de liefdesbreuk met haar jazzpianist te verwerken. Cubaanse muziek kon ze niet meer horen, terug naar haar oude liefde. Een goed muziekfestival is als een compositie, zegt ze. Ze is geen musicus, ze kan „geen noot lezen”, maar ze weet wel hoe de ‘compositie’ moet klinken en wat daarvoor nodig is. Het is haar gelukt om van „het ondankbare kind” dat de Flamenco Biënnale is een volwassene te maken. „Het succes komt misschien juist doordat ik zo uit de klei kom. Ik kan twee werelden samenbrengen.” Ze vertelt over Wim Brands, de overleden presentator van VPRO’s boeken. „Hij zei in een interview dat hij zich nog altijd het jongetje uit Brummen voelde dat er niet bij hoorde. Hij, het toonbeeld van een doorleefde intellectueel. Ongelofelijk.” Wat wil ze daarmee zeggen? „Ik ben ook dat meisje uit Lochem met bewijsdrang. ‘Kijk, ik kan wel wat’.”

Daarom weet ze niet van ophouden. Niet als een virus de wereld teistert, niet als vriendschappen dreigen te sneuvelen of als haar vader overlijdt (vorig jaar tijdens de Biënnale). „Ik ben tien jaar geleden naar een mooi, nieuw huis verhuisd. Maar mijn klerenkast is nog steeds niet af.” Geen tijd voor, alles voor het festival. En dansen, dat doet ze eigenlijk ook al heel lang niet meer. Ze wijst op een opgeklapt, draagbaar vloertje onder een bureau. „Als het kantoor ’s avonds uitgestorven is, doe ik daar soms met hakken aan wat pasjes op. Kijken of ik het nog kan.” En? „Na al die jaren luisteren, zit het ritme diep in mijn lijf.”