Recensie

Recensie Boeken

Millennials die jachtig naar een uitlaatklep zoeken

Debuutroman Paradoxaal genoeg maakt juist het onaffe van debuten ze soms zo opwindend. Zo ook Weekdier, de debuutroman van Hans Depelchin (1991). (●●●●)
Een mosselkolonie in de Zee van Marmara. Foto Getty Images/iStockphoto

Een mosselkolonie in de Zee van Marmara.

Foto Getty Images/iStockphoto

Paradoxaal genoeg maakt juist het onaffe van debuten ze soms zo opwindend. Overbodige of fletse personages; het plotse inzakken van de soufflé; aforismen die nog net niet scherp genoeg zijn: het hoort juist bij de wilde stappen van een pasgeborene, zoals slecht afgestelde apparatuur, bijeengehouden met ducttape, bij de punkband hoort.

Weekdier, de roman waarmee de Vlaming Hans Depelchin (1991) debuteert, is zo’n roman die je tekort zou doen door er droogstoppelig de gebreken van op te sommen. Wie dat zou doen, wie zich opwindt over zoiets als een te lang hoofdstuk (wat je wel degelijk zou kunnen constateren), die ziet over het hoofd dat dit een roman is uit het sauna-eske genre, een roman waarin een jonge schrijver het vuur zozeer oppookt dat zijn personages uitzweten wat hij van ze zien wil, niet wat ze pretenderen te zijn.

Qua structuur doet Weekdier een beetje denken aan Georges Perecs klassieke roman Het leven, een gebruiksaanwijzing. Structureerde Perec zijn roman rondom een gezelschap waarvan er enkelen artistieke aspiraties hadden, bij Depelchin zijn de geportretteerde kunstenaars straatgenoten. In de zogenaamde Bevrijdingslaan wonen ze, en stuk voor stuk zijn ze nog relatief jong, maar beginnen ze wel stilaan de mindere kanten van hun vak in te zien. Het is die fase waarin de lust naar onbeperkte vrijheid en de hoop op mondiale erkenning wat begint te vervagen. Depelchin toont ze op precies dat moment, waardoor ze opeens verdacht veel op doodgewone, wat verwende en weinig zelfredzame millennials lijken. Zo is er de volwassen Franky die geen zwemdiploma heeft en telkens door vrouwen geholpen moet worden en zo is er de actrice Colline, die ontzettend ambitieus is, maar als puntje bij paaltje komt door haar vader gered moet worden.

Rauw en hees

En toch wordt de toon van Weekdier niet bepaald door zoiets als haat of afkeer. Je krijgt de indruk dat Depelchin zo goed op de hoogte is van wat er speelt bij zijn leeftijdsgenoten dat een afrekening te simpel is.

Wat ze wél zijn (als we er even van uitgaan dat deze roman de werkelijkheid resoneert), dat is zoiets als koortsachtig, als in gejaagd of overkokend. Op zoek naar een uitlaatklep ook. Ze vinden het opvallend vaak in seks, het is alsof men daar hoopt te vinden wat men elders ontbeert of niet helder krijgt. Soms is het rauw en hees, soms met een intellectuele lading en soms ook gewoon absurd en humoristisch, zoals in het geval van Mathilde en Herman: ‘Ik denk aan die ochtend waarop ik Friends zat te kijken terwijl ik muesli at, en Herman met een erectie de woonkamer binnenkwam. “Herman!”, riep ik, en de vlokken vielen uit mijn mond. Hij legde een hand op zijn penis en zei: “Wat zal er van ons overblijven, Mathilde?”’

Ik heb genoten van het expliciete, avontuurlijke en schurende Weekdier, een boek waarin er ruimte is voor een jongen die vriendschap sluit met een grote steen, maar waarin net zo goed de morbide fata morgana van de opgejaagde Colline over haar huisarts aan bod kan komen. ‘Als kind had ze eens gedroomd dat ze zijn strottenhoofd uit zijn keel sneed, de stembanden er met een pincet uit plukte, die als minuscule elastiekjes tussen twee naalden spande en in een bodem klei voor haar ventilator zette. In die droom lag ze voor de rest van haar leven op haar bed naar zijn eentonig bromgeluid te luisteren en was ze volmaakt gelukkig.’