Recensie

Recensie Muziek

Nederlandse protestlied leeft in in onze tijd meer dan ooit

Boekrecensie In ‘Op de vuist’ onderzoekt Laurens Ham ruim vijftig jaar protestliedjes. Het boek zit dicht op de actualiteit. Het gaat van ‘Welterusten Mijnheer De President’, tot Akwasi op de Dam en boeren op het Malieveld.

Raggende Manne
Raggende Manne Foto Paul Bergen/ ANP KIPPA

Eerder deze maand noemde de 19-jarige popdebutant Froukje haar hitsingle ‘Groter dan ik’ van vorig jaar een „modern protestlied”. Het impliceert dat het genre iets van vroeger is, maar niets is minder waar. Juist de laatste jaren klinken er, vooral in rapvorm, steeds meer geëngageerde liedteksten. Met een mogelijke uitzondering van de ideologieloze jaren negentig, zijn protestliedjes in Nederland nooit weggeweest.

Dat blijkt uit Op de vuist van Laurens Ham, een boek over „vijftig jaar politiek en protestliedjes in Nederland”. Ham, essayist en docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, voert de lezer langs kraakpanden, politieke protestnachten en het Malieveld, tot aan het Damprotest en de boerenwoede van het jaar dat net achter ons ligt. Dit alles aan de hand van misschien wel het duurzaamste protestmiddel dat de activisten en demonstranten tot hun beschikking hebben: het lied. De song die splijt, verenigt, verklankt en verwoordt, blijft eeuwig bestaan.

De song die splijt, verenigt, verklankt en verwoordt, blijft eeuwig bestaan

Uiteraard wordt de protestgeneratie van de jaren zestig uitgebreid besproken, te beginnen in een circustent tijdens de Nacht van de Protestsong in 1966 waar Boudewijn de Groot ‘Welterusten Meneer de President’ zingt. Maar dat niet iedereen zich blind achter het progressieve geluid van de randstedelijke elite schaarde, blijkt uit het tegenlied van Armand, ‘Wat het klootjesvolk wil weten’ van een jaar later. De zanger die zich opwierp als de stem van de arbeidersklasse geeft in dat lied argumenten vóór ingrijpen in Vietnam en hekelt de hypocrisie van de progressievelingen. Over een man die elke vorm van discriminatie veroordeelt, zingt hij: „Maar toen zijn dochter thuiskwam met een Marokkaan/ Toen liet hij hem toch liever aan de huisdeur staan.”

Thermometer

Het heeft ruim vijftig jaar later weinig aan actualiteit ingeboet, en die continuïteit duikt vaker op. Zo krijgt de rapcrew Osdorp Posse in 1992 al het verwijt van culturele toe-eigening, voordat het zo heette, omdat ze ‘gettootje spelen’. Terwijl de rappers om het hardst roepen dat hiphop draait om echtheid, vinden ze dat je als witte rapper best de pijn van de niet-witte bevolking kan verwoorden. Begin jaren negentig oogst het populaire festival Racism Beat It soortgelijke kritiek: in popmuziek is engagement vaak verdacht, want is het niet vooral goede sier maken zonder je ergens aan te committeren?

Of dat nou wel of niet zo is, het protestlied laat zich aflezen als een thermometer voor de maatschappij. Het meeste inzicht in de kracht van muziek bieden de uitstapjes die Ham maakt naar de activisten buiten de mainstream. Zo is te lezen welke rol liedjes speelden tijdens de strijd om de kliniek Bloemenhove, cruciaal voor het verwerven van het recht op abortus. In een hoofdstuk over liedjes uit de vrouwenbeweging en homo-emancipatie wordt direct duidelijk dat de expliciete teksten ongeschikt waren voor hits. De Sirenes zongen begin jaren tachtig over masturbatie: „Ik kijk nu elke dag in mijn kut/ en toont het niet zo goed nou, dan denk ik gut.” Tedje & de Flikkers bezongen in ‘Ik ben een hoer’ de mannenprostitutie.

pro

En wat te denken van de muziekscene die ontstond na acties van Surinaamse en Antilliaanse krakers in Bijlmerflat Gliphoeve. Een van de meest opmerkelijke protestsongs komt van De Vrolijke Surinaamse Jeugd. In 1973, twee jaar voor de onafhankelijkheid, zingen ze in Bijlmermeer dat de flatwijk Suriname zal ‘slopen’, omdat de comfortabele woningen Surinamers zullen beroven van de noodzaak te strijden voor een eigen natie.

De meeste analyses in Op de vuist zijn helder en goed onderbouwd. Zo vat de platte, individualistische woede die de Raggende Manne in de jaren negentig tentoonspreidden, inderdaad het engagement van dat decennium goed samen. Naarmate Laurens Ham in zijn boek dichter op het nu komt, blijkt de duiding lastiger. Hij veegt extreem-rechtse, antisemitische songs en ‘haatraps’ richting Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders op één hoop als „eindpunt van het traditionele protestlied”. Daar zal het laatste woord nog niet over geschreven zijn.

Vader Abraham

Maar het boek zit dicht op de actualiteit met een bespreking van het anti-racismedebat aan de hand van Akwasi, Fresku en Typhoon en met een inzichtelijk hoofdstuk over de regiorock als protestgenre. Daarin blijkt dat naast Boudewijn de Groot en Armand nog een derde aartsvader van het Nederlandse protestlied te benoemen is: Pierre Kartner ofwel Vader Abraham.

Ter rechterzijde van het politieke spectrum nam hij in 1969 zijn eerste anti-Den Uyl-liedje op: („Hallo mijnheer Den Uyl/ je onderbroek is vuil”), waar hij vijf jaar later overheen toepte met de nummer-1-hit ‘Den Uyl is in den olie’, waarin Kamerlid Boer Koekoek meezong. Volgden nog het dubieuze ‘Wat doen we met die Arabieren hier’ en in 2002 een nummer met Pim Fortuyn. Ook tijdens de recente boerenprotesten liet Vader Abraham van zich horen met ‘Zonder boeren geen eten’.

Naast een politiek muzikale geschiedenis levert het boek ook prima popweetjes op. Zo blijkt het anti-racismelied ‘Iedereen is van de wereld’ van The Scene helemaal niet als zodanig bedoeld. Het was een lofzang op de ‘merkwaardige aanhang’ van de bevriende band de Tröckener Kecks.

Veel is terug te horen op de Spotify-lijst bij het boek, die klaarblijkelijk nog geüpdatet wordt, want inmiddels staat ook het ‘moderne protestlied’ van Froukje erin.