Een schop onder de cloaca voor ouder en kind

Op deze plek schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Een goede ouder laat een kind zelf kennismaken met gevaar, leert Loep Riphagens boek over vogeltje Coco.

Hoe zou het gaan met de helikopterouder, in deze coronatijden? De overbezorgde, hypercontrolerende kinderbeschermer, die het kroost het liefst aan de ketting zou leggen omdat de wereld zo vol gevaren zit? Is die al opgehouden te bestaan, nu de onvrijheid nauwelijks meer actie behoeft?

Ik moest er even aan denken, bij Coco kan het! van Loes Riphagen, het Prentenboek van het Jaar 2021 – wat vooral betekent dat het deze week gepromoot wordt vanwege de Nationale Voorleesdagen, die woensdag begonnen. Het boek is in mini-editie te koop, met een knuffelvogeltje erbij.

De vogel die in Coco kan het! de ouderrol vervult, is allesbehalve een helikoptermoeder. Voor kleine vogel Coco is een ‘grote dag’ aangebroken, kondigt moeder aan: „Kijk! Alle kleine vogels gaan voor het eerst vliegen.” Coco aarzelt. Neerstortingsgevaar, enge katten op de grond... Maar ja, je kunt dan wél vrolijke vormpjes vliegen. Moedervogel: „Ik weet zeker dat je het wél kunt, lieve schat. Ik zal je helpen…” Waarna ze Coco een schop onder haar cloaca geeft, en haar kuiken de diepte in valt. Maar het voorzichtige gefladder – „flap flap” – werkt.

Een doodsimpel verhaaltje, eigenlijk: er is een uitdaging, die wordt moedig aangegaan, en aan het einde kunnen we weer tevreden slapen. De kracht van Coco kan het! zit in de tekeningen van Loes Riphagen, die in de eerste plaats illustrator is en een scherp oog heeft voor zowel spannende composities als het piepkleine. Ze geeft moedervogel kittige wimpertjes, laat haar zijdelings lonken naar eetbare wormpjes (die zij tussen twee vinger-veren geklemd naar haar mond brengt, geestig mensachtig) en ze voegt vaak stripachtige geintjes toe: Coco kijkt scheel na de schop en houdt tijdens het vallen haar vleugels angstig voor haar ogen. Riphagen brengt met haar perspectieven spanning in het verhaal: als Coco hoogtevrees heeft, zien we de boom in vol ornaat. Of ze richt de blik langs de stam omlaag, zodat het er écht extreem hoog en ongelooflijk diep uitziet.

De blik van Coco bepaalt de blik van de toeschouwer, het voorgelezen kind: dat voelt spanning als het spannend is, opluchting wanneer het mee blijkt te vallen en Coco naar hartelust zwierige vliegcapriolen uit kan halen. „Mama! Kijk eens wat ik al kan!”, zegt Coco wanneer ze achteruit voorbijvliegt. Dan wordt moeder toch wat bezorgd: „Doe je voorzichtig, Coco?”, roept ze. „En pas op voor die...” – en we slaan de bladzijde om...

Boom – boem!

Het is tekenend voor het verhaal dat Riphagen wil overbrengen dat die botsing vooral een geintje is: Coco grimast even en haar ogen staan scheef, en het geinige rijm (je ziet ‘boom’, er staat ‘boem’) haalt de bittere ernst eruit. Er volgt geen vermaning, maar een pleister en een knuffel. Zoals we het natuurlijk het liefst zien.

De term ‘helikopterouder’ bestaat niet voor niets, als schampere hyperbool voor een uitzondering op de norm. Een goede ouder laat een kind zelf kennismaken met gevaar – zo biedt het voorleesboek een wijze les voor ouder én kind.

Reacties: boeken@nrc.nl