Opinie

In Hollywood geen paranoia meer

Complottheorieën zijn van alle tijden. Wel vragen sommigen zich af wat Hollywood heeft bijgedragen aan de nu zo universele en zichtbare paranoia.

Coen van Zwol

In het epoche van Trump en QAnon, dat hopelijk piekte met de carnavaleske bestorming van het Capitool op 6 januari, wordt Richard Hofstadters The Paranoid Style in American Politics vaak genoemd. Ik las dat essay uit 1964 nu eens zelf, en inderdaad: plus ça change. In de 19de eeuw bedreigden Illuminati, vrijmetselaars of katholieken de VS, in de 20ste eeuw waren communisten diep in de overheid geïnfiltreerd en in de 21ste eeuw beheerst een kosmopolitische elite de ‘deep state’ zo volledig dat president Trump als undercoveragent moet opereren. Geen wonder dat hij faalde: QAnon verklapte zijn dekmantel.

Maar de ‘paranoïde stijl’ blijft altijd hetzelfde. Er is een even grotesk als vaag complot, zo bewijst men met een pedant kaartenhuis aan ‘feiten’. Spoedig is het bijltjesdag, tot dan zijn er bloedstollende verhalen van anonieme insiders en pornografische fantasie, tegenwoordig vooral pedofiel van aard.

Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten, vermoed je dan. Maar nu paranoia zo universeel en zichtbaar is, vragen sommigen zich af wat Hollywood bijdroeg. In genrefilms krijgen complotdenkers immers altijd gelijk. In de jaren vijftig en zestig stonden aliens die mensen dupliceren (Invasion of the Body Snatchers) voor het rode gevaar, daarna werd paranoia een linkse hobby. De jaren zeventig waren de hoogtijdagen van de paranoia-thriller, met gezichtloze staatsorganen, concerns en sektes die orgaanhandel of politieke moorden regelden, dan wel – in Rosemary’s Baby of The Omen – de komst van de antichrist.

Paranoia werd zo mainstream dat het in Spielbergs Close Encounters of the Third Kind (1977) normaal is dat de overheid contact met aliens geheim houdt in een operatie waarbij tienduizenden ambtenaren zijn betrokken. Zo werd complotdenken – over de moord op Kennedy, nep-maanlanding, Roswell – ook ordinair en ridicuul. In de jaren negentig werd het een grap, met FBI-agenten Scully en Mulder die in The X-Files wekelijks op een grotesk complot met doofpot stuiten. 1997 werd het jubeljaar van de paranoia-komedie; denk aan Wag the Dog, Conspiracy Theory en Men in Black.

Lees ook een analyse over de complotdocu ‘Hold-Up’: composthoop van wantrouwen

The Matrix (1999) maakte paranoia metafysisch, en zo weer wat grimmig. De realiteit is een kwaadaardige simulatie, ontdekt held Neo als hij een rode pil slikt. Dat inzicht maakt hem tot supermens en lid van een coole elite, de wensdroom van elke complotdenker. Alt-right claimt nu The Matrix, tot afgrijzen van de makers, de linkse transgenderzusters Wachowski. ‘Red pilling’ staat voor het doorzien van links-liberale leugens.

Maar The Matrix is twintig jaar oud en maakte geen school. Horror en sciencefiction blijven paranoïde genres, Hollywoods blockbusters van de 21ste eeuw gaan over fantasy, superhelden en de apocalyps; spektakel zonder dubbele bodem. Voedingsbodems zijn nu sociale media, talk radio of reality-tv, niet speelfilm. Hollywood brandt zich vermoedelijk niet de handen aan paranoia nu dat in de politiek zo universeel is, dus ongeschikt als escapisme. Of misschien is er meer tijd nodig om te zien hoe de film Trump weerspiegelde.

Coen van Zwol is filmrecensent.