Recensie

Recensie Muziek

Met zijn verbeeldingskracht pakt MacMillan je telkens in

Première Vreugde en geweld liggen dicht bij elkaar in het ‘Christmas oratorio’ van James MacMillan. Het ging zonder publiek in première in de ZaterdagMatinee, met een glansrol voor het Groot Omroepkoor.

James MacMillan
James MacMillan Foto Hans van der Woerd

Het is geen nieuws dat we het getroffen hebben met de NTR ZaterdagMatinee, maar dit is wel een moment om daar nog eens bij stil te staan. Midden in een zware lockdown bracht de serie de wereldpremière van James MacMillans indrukwekkende Christmas oratorio, nadat de geplande première in Londen vorige maand moest worden geannuleerd. In een leeg Concertgebouw dirigeerde de componist zelf het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor en twee solisten.

De katholieke MacMillan componeerde al een Johannes- en een Lukas-passie, maar in dit tweedelige kerstoratorium richtte hij zijn blik voor het eerst op de geboorte van Christus. Natuurlijk was Bach het model, vooral in de symmetrische architectuur. Elk van de beide delen bestond uit zeven segmenten, waarvan het middelste een ‘Tableau’ op tekst uit het evangelie was. Een instrumentale ‘Sinfonia’, een ‘Chorus’ in Kerklatijn en een ‘Aria’ op oud-Engelse poëzie bereidden het centrale segment voor en leidden het in omgekeerde volgorde weer uit.

Lees ook deze recensie: Soevereine Van Rijen in MacMillans Tromboneconcert

Zo’n palindromische structuur suggereert een zekere starheid, maar MacMillan hanteerde met technische meesterhand een onbegrensd palet en liet vooral het koor excelleren. De geestdriftige blazers kregen in Sinfonia 1 tegenwicht van kerstbelletjes, een weerbarstige paukensolo en zwangere stilte. Zo gelaagd en betoverend als zijn klankmengsels waren, zo genuanceerd waren de gemoedstoestanden die MacMillan evoceerde: de vreugde van de geboorte had steeds een dreigende ondertoon, die in het gewelddadige ‘Tableau 1’ tot uitbarsting kwam in de kindermoord van Herodes.

De muziekgeschiedenis resoneerde in iedere maat, maar MacMillan zette haar zoals altijd naar zijn hand. Bijvoorbeeld door de zwoele mahleriaanse strijkersbegeleiding in ‘Aria 1’ van sopraan Mary Bevan te bewerken met rauwe accenten. Sommige contrasten, zoals de beethoviaanse climax van ‘Chorus 2’, neigden naar effectbejag. Maar met verbeeldingskracht en schoonheid pakte MacMillan je toch steeds in. Het meest vervoerend was ‘Chorus 3’, O magnum mysterium, waarin een zee van golvende chromatiek een gecraqueleerde hemel van klank voortbracht.