Opinie

Ook NRC plaatst stukken van nieuwe collectieven – dat is wennen en aftasten

De ombudsman

Het was een doodsaaie toespraak geweest van de man van de bank. Dus had ik die als beginnend reporter voor De Buitenveldertste Courant, we schrijven de jaren tachtig, weggelaten uit mijn verslag van de feestelijke opening van een lokale expositie. Toen de krant van de persen rolde, riep de hoofdredacteur me woedend bij zich: waar was die toespraak van de man van de bank gebleven? Nou ja, hij had niets te zeggen, probeerde ik. Oh nee? De hoofdredacteur trok een paginagrote advertentie te voorschijn – ja, van de bank. Overdoen.

Het is petite histoire uit een ver verleden (advertenties zijn nu nog maar een bescheiden deel van de inkomsten van een krant), maar een die raakt aan een waarde die voor journalisten nog altijd onaantastbaar is: hun onafhankelijkheid. Financiers moeten geen zeggenschap hebben over wat ze wel of niet opschrijven.

Het schoot me weer te binnen toen ik in het katern Economie het naschrift las bij een nieuw, onthullend artikel over belastingontwijking van een tabaksfirma. Niet door NRC-redacteuren, maar door twee medewerkers van The Investigative Desk, een journalistiek onderzoekscollectief. In het naschrift stond dat de Desk wordt gefinancierd uit „donaties, subsidies, beurzen en honoraria” en dat geldgevers „geen rol of inhoudelijke zeggenschap” hebben „in zijn onderzoeken en publicaties.’’

Nuttig, want de meeste lezers zullen niet weten wat The Investigative Desk is. Het is een van de journalistieke boutique-collectieven die de laatste jaren zijn opgekomen en die zich vaak toeleggen op onderzoeksprojecten. Ze zijn een product van de nieuwe mediawerkelijkheid waarin freelance journalisten online hun krachten bundelen; een van de bekendste is Follow the Money. Een NRC-redacteur werkte eerder samen met het non-profit platform Lighthouse Reports, voor onderzoek naar de dump van plastic afval.

Beide partijen kunnen daar baat bij hebben: de collectieven voor bereik en bekendheid (en inkomsten), ‘gevestigde’ media voor meer bronnen en kennis op terreinen waarop zij niet of minder thuis zijn – of gewoon voor een goed freelance artikel.

Maar er zijn ook haken en ogen, want zulke collectieven hebben een ander businessmodel dan kranten. Het is dus zaak dat er overeenstemming is over journalistieke werkwijze en inzage in de manier waarop een stuk tot stand is gekomen, inclusief de financiering. Want: hoe zit het met de journalistieke onafhankelijkheid? Kortom, wennen en aftasten – en elkaars nieren proeven.

NRC, waar gesubsidieerde artikelen lang anathema waren, is de laatste jaren iets soepeler geworden. In het algemeen, zegt plaatsvervangend hoofdredacteur Elske Schouten, maakt de krant onderscheid tussen professionele subsidies en die met een duidelijk politiek of ideologisch doel; de laatste blijven ongewenst. En: zulke stukken moeten een extraatje blijven, geen regel worden.

De grens is niet altijd meteen duidelijk. NRC deed goede ervaringen op met The Investigative Desk, waarvan vorig jaar al eerder een sterk, onthullend onderzoek werd geplaatst naar belastingroutes van tabaksbedrijven. Dat stuk werd voor publicatie intensief doorgesproken met de chef Economie van NRC, die inzage kreeg in de onderzoeksmethode en relevante documentatie. Onder het stuk werd keurig vermeld dat het onderzoek mede mogelijk was gemaakt met steun van de Britse Universiteit van Bath, die onderzoek doet naar tabaksbeleid.

Maar niet alleen journalisten pluizen allerlei verbanden uit. Na publicatie wees een van de tabaksfirma’s de krant erop dat de Universiteit van Bath op zijn beurt subsidie kreeg van een filantropische stichting die tabaksgebruik wil tegengaan. Dat leidde even tot een pas op de plaats.

Een nader gesprek klaarde de lucht. Van inhoudelijke invloed op het onderzoek door donors was geen sprake geweest, ook niet indirect. Wel werd afgesproken dat de krant per keer inzicht krijgt in de financiering van een onderzoek en die kan meewegen. En er kwam dat nieuwe naschrift, met de verzekering dat subsidiegevers geen zeggenschap hebben over de journalistieke inhoud.

Het laat zien hoe belangrijk transparantie en kennis van elkaars verwachtingen zijn bij zo’n samenwerking. Dit keer ging het om een professioneel platform dat door de krant wordt vertrouwd, een Raad van Toezicht heeft en openheid geeft over zijn werkwijze. Dan loop je niet het risico dat je verdwaalt in een doolhof van journalistieke onderaannemers. Mij zou het niet gek lijken om de NRC Code op dit punt nog eens aan te vullen.

Over journalistieke onafhankelijkheid wordt veel beweerd, ook veel onzin. Natuurlijk zijn media in allerlei opzichten afhankelijk: allereerst van hun lezers, van adverteerders (maar steeds minder), en van hun eigenaren. Of zelfs van overheden: de Belgische regering subsidieert bijvoorbeeld de distributie van kranten en tijdschriften met zo’n 340 miljoen euro, die ook ten goede komt aan Mediahuis.

Waar het om gaat is ambachtelijke onafhankelijkheid, dat wil zeggen: de vrijheid om de feiten te volgen en te publiceren – op een manier die niet wordt geregisseerd door een financier, maar door een redactie met een gedeelde journalistieke cultuur. De nieuwe online platforms kunnen dat even goed, maar zullen het moeten blijven bewijzen.

Net als alle andere journalisten, trouwens. Mijn gemankeerde Buitenveldertse verslag hoefde ik destijds toch niet over te doen, ondanks de oekaze van de hoofdredacteur. Dat had ik te danken aan mijn collega’s, die spontaan in verzet kwamen. Want het mocht dan maar huis-aan-huis-journalistiek zijn, we waren wel… Juist. Onafhankelijk.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.