Opinie

Erken ruimhartig het unieke belang van het genie in de muziek

Klassieke muziek Door marktdenken en identiteitspolitiek wordt het draagvlak voor kunstsubsidies ondergraven, vreest .

Illustratie Hajo

De laatste jaren hebben het neoliberale marktdenken en de vooral in linkse kringen populaire identiteitspolitiek elkaar gevonden, ook in het denken over kunstbeleid. De gevolgen zijn desastreus. Kunst is een instrument geworden, een economisch instrument voor de liberalen, een instrument dat maatschappelijke cohesie moet bevorderen voor links. Het belang van inhoudelijke criteria en intrinsieke waarden wordt door beide stromingen weliswaar nog met de mond beleden, maar in werkelijkheid totaal verwaarloosd.

Onbedoeld wordt hiermee het draagvlak voor het subsidiëren van kunst ondergraven. Want waarom zouden subsidies die zijn gericht op het bevorderen van de economie of de sociale cohesie via de omweg van de kunst worden verleend? Waarom niet rechtstreeks aan doelen die beter meetbare resultaten opleveren? Overdreven? Illustratief feit: Nederland telt anno 2021 nog negen professionele symfonieorkesten. In 1970 waren dat er nog 21.

Eurocentrisch en patriarchaal

Wat moet er gebeuren om dit verval te stoppen? De componist Giuseppe Verdi heeft eens gezegd: „keer terug naar het verleden, dat zal vooruitgang betekenen.” Die zin komt niet voort uit oppervlakkige nostalgie of steil conservatisme. Soms is herbronning inderdaad noodzakelijk. Wat in ieder geval zou moeten worden hersteld, is de waardering voor de intrinsieke betekenis van grote kunst en het respect voor de kunstenaar.

Het is algemeen bekend, dat in de loop van de achttiende eeuw het concept van het ‘genie’ in de West-Europese cultuur steeds invloedrijker is geworden, ook in de kunst. De kunstenaar werd niet langer als ambachtsman gezien, maar als visionair die in zijn werk eeuwige waarden wist vorm te geven. Het Duits-idealistisch denken kende daarbij vooral aan de muziek een ‘absolute’ betekenis toe. In de werken van de grote Duitse meesters zou de mensheid de hoogste toppen van volmaaktheid hebben bereikt. Niet voor niets werd Bachs Hohe Messe in 1817 omschreven als „het grootste kunstwerk van alle tijden en volkeren”. Het hoeft geen verbazing te wekken, dat een dergelijke claim in onze ‘inclusieve’ tijd door velen wordt beschouwd als kwalijk eurocentrisch en patriarchaal, vooral in het Westen zelf. Het idee van een artistieke canon zou op zichzelf al een exclusief westers idee zijn dat haaks staat op kunst als een ‘safe space’, waarin iedereen zichzelf op een veilige manier creatief kan uiten.

Lees ook: Is er tussen ‘safe space’ en ‘vrijplaats’ nog ruimte voor kunst?

Maar waarom zou het concept van het genie waardeloos zijn, alleen vanwege het feit dat het in het Westen is ontwikkeld? Daarbij laat ik hier buiten beschouwing, dat westerse klassieke muziek tegenwoordig wereldwijd haar bewonderaars en liefhebbers heeft. Dat feit zou door cynici kunnen worden uitgelegd als het gevolg van de dominante positie die het Westen in politiek en cultureel opzicht tot voor kort in de wereld heeft gehad.

Spreekbuis van de wereld

Zonder mij hier aan een sluitende definitie van het begrip ‘genie’ te wagen, wil ik in dit verband benadrukken, dat geniale mensen in staat zijn schijnbaar onverenigbare zaken met elkaar te verenigen. De Amerikaanse componist John Adams is een mooi voorbeeld. In de jaren tachtig wist hij een nieuwe stijl te scheppen waarin de meest uiteenlopende tradities samenkomen: de Amerikaanse minimal music en de Europese laatromantiek, maar ook elementen uit de Amerikaanse folk-muziek, de popmuziek en de jazz. Adams schrijft wel degelijk ‘Hoge Kunst’, maar speelt het klaar invloeden uit populaire vermaaksmuziek harmonieus in zijn stijl te integreren. Ook in zijn onderwerpkeuze is Adams buitengewoon actueel: „Daarom heb ik de opera Doctor Atomic geschreven, dat gaat over het maken van de atoombom; The Death of Klinghoffer, over terrorisme; en Nixon in China, wat over wereldpolitiek gaat.” Het hoeft dus niemand te verbazen, dat Adams’ opera-oratorium El niño niet alleen een poging is Händels Messiah te evenaren, maar ook de problematiek van Latijns-Amerikaanse immigranten in de Verenigde Staten behandelt. Het resultaat: een multicultureel, multimediaal en gelaagd meesterwerk, dat enerzijds aansluit bij onze chaotische tijd, en zich anderzijds plaatst in de grote traditie van de kerstoratoria van Bach en Händel. Terecht merkt schrijver-musicoloog Bas van Putten op (De Groene Amsterdammer, 26 april 2017), dat Adams als een van de weinige hedendaagse componisten bereid is „om als spreekbuis van zijn wereld op te treden”.

Van Putten stelt verder dat onze beschaving dan wel bereid moet zijn, een genie als Adams een podium te bieden. Geven wij een genie als Adams die ruimte niet – want ‘oude witte man’ – dan dragen wij bij aan een in geestelijk en cultureel opzicht armoedige wereld, waarin grootse en meeslepende kunst, die over grenzen kijkt en echt verbindt, niet meer tot stand kan komen. Dan rest ons overbodige gebruikskunst, die de geest ademt van het neoliberale entertainment of sporen draagt van multiculturele verplichte nummers.

Ruim baan dus voor de geniale Adams en diens geniale opvolger, die zo maar eens een vrouw of een componist van kleur zou kunnen blijken te zijn.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.