Opinie

‘Hou op met blowen, ga sporten, stop met je ouders te tiranniseren’

Ellen Deckwitz

Afgelopen week stuurde een jeugdvriend me een filmpje van toen we vijftien waren en gespannen opende ik het bestand. Hij liep in de jaren negentig constant rond met een camera maar om de een of andere reden had ik nooit gedacht dat hij de opnames bewaard had, laat staan dat hij zo gek zou zijn om ze te digitaliseren.

Opeens zag ik wat jarenlang alleen in mijn herinnering had bestaan: ik en mijn vrienden, ketend in het stadspark. Pacifisten op legerkisten, hanenkammen, T-shirts van bands die nog voor de eeuwwisseling uit elkaar zouden gaan. We tekenden met zwarte kohl een rouwrand om onze ogen, alsof het leven een tragedie was, alsof we ons niet op het hoogtepunt van gezondheid en jeugd bevonden.

Alles kwam terug: hoe je ’s ochtends na het ontwaken meteen naar de spiegel rende om te zien wat voor ravage de puberteit nu weer had aangericht in je gezicht, maar vooral de mensen die indertijd mijn hartsvrienden waren. Met wie ik mijn eerste diepe gesprekken voerde, die ik dronken de eeuwige trouw bezwoer, die ooit mijn hele wereld waren maar waarvan ik een deel inmiddels al twintig jaar niet meer heb gesproken. Enkelen komen nog weleens voorbij op sociale media en anderen zijn, dankzij de dodelijke combinatie van een veelvoorkomende voor- en achternaam, ongooglebaar en dus voor altijd kwijt.

Ik fantaseerde wat ik met de kennis van nu tegen al die jeugdvrienden zou zeggen en het bleek vooral een advies dat al die jonge hemelbestormers waarschijnlijk hopeloos burgerlijk hadden gevonden: hou op met blowen, ga sporten, stop met je ouders te tiranniseren. Kom uit voor je gevoelens, krop niets op. Ga eropuit want straks is er een pandemie en kun je nergens meer heen. En vooral: wees zuinig op elkaar, want iedereen loopt hier maar een beperkt aantal jaren rond en sommigen zullen sneller verdwijnen dan je lief is. Ook jonge mensen worden ziek, hoe onsterfelijk je je op die leeftijd ook waant.

Vlak voor ik die avond in slaap viel zag ik mezelf weer in het park zitten. Het meisje dat ik was draaide zich naar me toe, een en al eyeliner, veiligheidsspelden en spikebanden. Even leek het of ze me zag. Ik probeerde de afkeuring in haar blik te vinden maar rond haar mond speelde een lach. Verspil geen tijd, zei ik, en ze grinnikte. Get a life, riep ze, en rende van me weg, het laatste restje van de twintigste eeuw in, naar haar vrienden voor altijd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.