Recensie

Recensie Boeken

En ineens was daar in de Gouden Eeuw de vlieger

Deze twee bevlogen literatuurhistorici leiden ons in beeld en geschrift door ‘De gouden vlieger-eeuw’.
Foto Getty Images

De uitputtende cultuurgeschiedenis van een piepklein onderwerp is een onderbelicht boekengenre. Wie kent bijvoorbeeld de negendelige Geschiedenis van de Belgische reisduif (1986) van Jules Gallez, waarin bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog nu eens van boven wordt bezien?

Ex nugis seria, waarheid uit de onbeduidende dingen. Dat geldt in hoge mate voor het recent verschenen De vliegerende Hollander. Cultuurgeschiedenis van de Nederlandse vliegerverbeelding vanaf 1600 door Gert-Jan Johannes en Inger Leemans, twee bevlogen literatuurhistorici die de kunst van de pars pro toto tot in de puntjes beheersen.

Ze namen een prent uit 1618 en zagen daarop een vliegerend kind, een detail op het beeld dat Adriaen van de Venne maakte bij het gedicht ‘Kinder-spel’ van Jacob Cats. Hé, een vlieger, dachten de auteurs. Hebben we die eerder in onze prentkunst gezien?

De Zeeuw Cats moet de vlieger hebben leren kennen in Middelburg, een van de VOC-centra in zijn dagen. Vliegeren was in de Oost al eeuwenlang populair, zijn gedicht en bijbehorende prent vormen de eerste Europese verbeelding van het spel. De vlieger biedt naast vermaak óók lering. Denk aan de uitdrukking ‘Die vlieger gaat niet op’ en men begrijpt dat zo’n eenvoudig te vervaardigen samenstel van kruislatjes, papier en staart kan druipen van de symboliek.

Freud

Ook Cats zag dit in. De tweede versie van ‘Dicht-spel’ uit 1625 is dubbel zo lang, met als één van de toegevoegde regels ‘En nu is ’t maar vuil papier/ Eén die met eerzucht is besmet.’ En elke vliegeraar weet hoe grillig soms de wind is, en hoe gemakkelijk zijn ‘draakje’ duikelen kan.

Het auteursduo leidt ons in beeld en geschrift door ‘De gouden vlieger-eeuw’, ontstaan dankzij de vele navolgers van de immens populaire Cats, en volgt de vliegerende Hollander tot aan de Zangeres zonder naam-hymne ‘De vlieger’, kite- surfen en de vlieger met zonnepanelen op het graf van Wubbo Ockels. Op de vele, vele illustraties in het boek zien we vliegerpostzegels voorbijkomen, -boekomslagen, -schilderijen, -keukentegeltjes, -beschuitbussen, -theepotten, -ladenkasten, -muzieknotaties. Bien étonnés: de vlieger verbindt in dit boek Christiaan Huygens met André Hazes, Bilderdijk met Renate Dorrestein, Albert Verwey met Loesje, Pinkeltje duikt op, Flipje uit Tiel, we vernemen van Piet Durf en hoe het hem verging bij het oplaten van zijn Vlieger (1872). De vlieger als politiek commentator (pro of contra Oranje) of economisch/psychologisch criticus (de windhandel).

In het hoofdstuk ‘Vlieger en kruis’ ten slotte vinden we de vlieger als aanleiding voor warmbloedige herinneringen, zoals in de memoires van Lodewijk van Deyssel. Waarin een meisje dat danst als een vlieger, ‘een aller-bizonderst voorwerp van beneden dat zich vlijt tegen de parelmoeren lucht, die er uitziet zo als een schelp van binnen.’ Freud heeft hier geen werk aan.