Mijn geliefde tragikomische kunstenaar-cowboy Bruce Nauman

Kunstenaar Het Stedelijk Museum toont vanaf maart een groot overzicht van de Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman. Zijn werk, goed vertegenwoordigd in Nederlandse collecties, kruipt onder je huid. Het was punk voordat punk bestond. En het blijft actueel.

Bruce Nauman, Seven Figures (1985)
Bruce Nauman, Seven Figures (1985) Foto Stedelijk Museum Amsterdam

Kun je idolaat zijn van een beeldend kunstenaar, zoals je fan kunt zijn van een popartiest of acteur? Zo’n fan die ieder album dat uitkomt grijsdraait, of bij het verschijnen van een film wel drie keer naar de bioscoop gaat om de held op groot scherm te zien? Bij bekende kunstenaars ligt dat iets lastiger. Hun werk verzamelen is slechts weggelegd voor de rijken der aarde. Alleen hun tentoonstellingen wereldwijd volgen vergt al een aardig reisbudget.

Toch komt mijn bewondering voor de Amerikaanse kunstenaar Bruce Nauman (Fort Wayne, 1941) misschien nog wel het dichtst bij wat je ‘fandom’ zou kunnen noemen. De oorsprong van die crush moet ergens in de jaren negentig liggen, toen ik in het Stedelijk Museum in Amsterdam Naumans vroege zwart-witvideo’s ontdekte. Ze stelden eigenlijk niet eens zoveel voor: gewoon een knappe, lange jongeman, die zich aan het vervelen was in zijn atelier en dat niksen vastlegde met een geleende videocamera. Gekleed in een wit T-shirt en donkere spijkerbroek tastte hij de vloer af met zijn handen en voeten, of schuifelde hij voetje voor voetje langs de lijnen van een vierkant, ondertussen swingend met zijn heupen als een kruising tussen James Dean en een Romeinse god.

Bruce Nauman, Walking in an Exaggerated Manner Around the Perimeter of a Square (1968)

Foto Stedelijk Museum Amsterdam

Die eenvoudige, grofkorrelige filmpjes uit 1968 waren zo anders dan de serieuze beelden en schilderijen waarmee het Stedelijk in die tijd gevuld was. Het leek wel of Nauman met zijn ‘funny walks’ de draak stak met het strenge minimalisme van zijn tijdgenoten. Nauman maakte beeldhouwkunst met zijn eigen lichaam. Daarmee deed hij me denken aan die andere lichaamskunstenaar en maker van tragikomische video’s: Bas Jan Ader.

Het was ook de tijd dat er in de Nederlandse media veel ophef ontstond over de aankoop van Naumans neonsculptuur Seven Figures (1985), voor 700.000 gulden, door de toenmalige Stedelijk-directeur Rudi Fuchs. Deze orgie van copulerende silhouetten werd aangestuurd door een computerprogramma, waardoor de neonfiguren gevangen zaten in een eindeloze loop van neukbewegingen. Smakeloos volgens sommigen, maar een meesterwerk volgens Fuchs, die zijn aankoop in 1996 in NRC verdedigde: „Dat werk concentreert niet alleen de kunst van de hele twintigste eeuw – van flakkerende kubistische vlakken tot elementaire Mondriaankleuren –, het vermengt ook de realiteit van de condition humaine met een persoonlijk, ironisch commentaar. Nauman vat het leven samen.”

Mijn kunst is als een klap met een honkbalknuppel in je nek. Je ziet het niet aankomen; het mept je in één keer neer

Seven Figures is zo’n typisch Nauman-werk dat zich direct in je geheugen vastzet. Een kunstwerk dat onder je huid kruipt en dat je je leven lang meedraagt. Datzelfde geldt voor zijn sculptuur Carrousel uit 1988, die Fuchs aankocht toen hij nog directeur was van het Gemeentemuseum in Den Haag en die als bruikleen vaak in het Stedelijk te zien was. Een draaimolen des doods, vond ik het altijd, met verwrongen karkassen van een beer, hert, lynx en twee prairiewolven die aan hun nek waren opgehangen. Ze deden me denken aan de versteende dieren die in Pompeii zijn gevonden. In mijn herinnering draaide de draaimolen ook echt, en sleepten de aluminium dieren met hun poten over de grond, waarbij ze een geluid maakten dat net zo akelig was als nagels op een schoolbord. Een cirkel van zwarte vegen op de vloer toonde de sporen van de martelgang.

Intens, agressief, zo zou je veel van Naumans werken kunnen typeren. Hij wil kunst maken, zo zei hij eens in een beroemde quote, die je uit onverwachte hoek raakt. „Alsof je in het gezicht geslagen wordt met een honkbalknuppel. Of beter nog, achter in je nek. Je ziet het niet aankomen; het mept je in één keer neer.” Of, zoals Nauman zelf zegt in een ander favoriet werk uit de Stedelijk-collectie: Pay attention motherfuckers. Op die litho uit 1973 heeft hij de woorden uit de titel in kapitalen op het papier gekalkt. Boos, uitdagend, punk voordat punk bestond.

Juist in deze donkere tijd van klimaatverandering, pandemie en lockdown lijkt zijn werk toepasselijker dan ooit

Groot retrospectief

Al deze werken zullen vanaf maart opnieuw in het Stedelijk te zien zijn op het eerste grote Bruce Nauman-retrospectief in Nederland – in totaal zo’n veertig beelden, installaties, video’s en tekeningen uit een halve eeuw kunstenaarschap. Nauman werd in Nederland al vroeg getoond en verzameld. Jean Leering, destijds directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, nodigde de toen 27-jarige Amerikaan in 1968 uit voor de Documenta in Kassel. Een jaar later selecteerde Stedelijk-conservator Wim Beeren werk van Nauman voor de baanbrekende tentoonstelling Op Losse Schroeven. En in maart 1969 kocht de toenmalige Stedelijk-directeur Edy de Wilde als eerste Europese museum een werk van Nauman aan: het neonwerk My Name as Though It Were Written on the Surface of the Moon (1968).

Als je nu, bladerend door de catalogus, terugblikt op die werken van de afgelopen vijftig jaar, dan valt op hoe actueel Naumans oeuvre nog altijd is. Juist in deze donkere tijd van klimaatverandering, pandemie en lockdown lijkt zijn werk toepasselijker dan ooit. Pay attention motherfuckers klinkt nu als een profetische noodkreet: jongens, hallo! De wereld gaat naar de verdoemenis! De verveling die uit zijn vroege video’s spreekt, het gevoel tegen de muren op te vliegen, kennen we nu zelf maar al te goed. En zijn video Washing Hands Abnormal (1996), waarin Nauman bijna een uur lang dwangmatig zijn handen wast met zeep, krijgt er in dit tijdsgewricht opeens een nieuwe betekenislaag bij.

Bruce Nauman (79) september vorig jaar in galerie Sperone Westwater, New York.

Foto George Etheredge/ ANP

Wat ook opvalt, nu je dat veelzijdige oeuvre zo bij elkaar ziet, is hoe groot Naumans invloed op jongere generaties kunstenaars is geweest. Zelf heeft hij nooit een eenduidige stijl gehad. Hij was altijd een experimenterende kunstenaar, die nieuwe wegen verkende en allerhande media uitprobeerde die nog niet gangbaar waren in de kunstwereld. Zoals video en neon, maar bijvoorbeeld ook hologramtechniek. Juist met dat idee, dat je van alles kunst kunt maken, heeft hij de weg bereid voor een grote groep kunstenaars na hem. Zijn clowneske video’s moeten een voorbeeld geweest zijn voor kunstenaars als Paul McCarthy of Tony Oursler, zijn gefilmde performances een inspiratiebron voor Ulay en Marina Abramovic. Door met neon te gaan werken, destijds vooral gezien als een medium voor reclame, bedacht hij een nieuwe taal die later gretig werd opgepikt door kunstenaars als Tracey Emin en Martin Creed.

Kijk naar de vroege sculptuur A Cast of the Space Under My Chair (1965-1968) uit de collectie van Museum Kröller-Müller: een afgietsel van de ruimte tussen vier stoelpoten en de zitting. Het kan niet anders dan dat de Britse kunstenaar Rachel Whiteread, bekend om haar afgietsels van negatieve ruimtes, daarnaar gekeken heeft. Overigens heeft Nauman zich voor dit beeld zelf weer laten inspireren door Willem de Kooning, die zei: „Als je een stoel schildert, moet je de ruimte tussen de sporten schilderen, niet de stoel zelf.”

Pay attention motherfuckers klinkt nu als een profetische noodkreet: jongens, hallo! De wereld gaat naar de verdoemenis!

Cowboy-kunstenaar

Terwijl de belangstelling voor Naumans werk in de afgelopen decennia alleen maar groter is geworden, heeft de kunstenaar zich steeds meer teruggetrokken uit het publieke leven. Sinds 1979 woont hij ver van de belangrijke kunstcentra, op een ranch even buiten Santa Fe in Galisteo, New Mexico. Vanuit die zelfgekozen isolatie maakt hij zijn kunst. Een loner is hij, een cowboy-kunstenaar die paarden fokt. Over zijn werk praat hij niet graag. In de halve eeuw die zijn carrière nu omspant, heeft hij slechts een handvol interviews gegeven.

Natuurlijk heb ik geprobeerd, als fan en journalist, om Nauman te spreken te krijgen. Dolgraag had ik een dag met hem te paard over die ranch gereden, onderwijl pratend over kunst en cowboyzaken. Zeven jaar geleden leek dat bijna te lukken, toen een roadtrip me in de buurt van Santa Fe bracht. Ik had een warme aanbevelingsbrief van Rudi Fuchs op zak. Ik had de kunstenaar gemaild dat ik graag kwam helpen stallen uitmesten en paarden voeren. Maar op mijn interviewverzoek stuurde Nauman me een even vriendelijk als gedecideerde mail terug: „De ranch en de studio zijn privé.”

En dus moet ik het doen met de beschrijvingen van anderen die er geweest zijn. Zoals Magnum-fotograaf Alec Soth en New York Times-journalist Nikil Saval, die in 2018 een portret maakten van de kunstenaar en zijn omgeving. „Zijn studio is niet meer dan een gigantische schuur. Er is een wei met een paar kalme paarden, een afdak met balen hooi. […] Hoewel Nauman niet vaak meer rijdt, is het bewijs van zijn obsessie alom aanwezig. Op de toilettafel in de badkamer ligt een nette stapel van het tijdschrift Eclectic Horseman. Op een tafel lagen rollen schrikdraad, aan de muur hingen paardenkalenders. Er waren zadels, een fauteuil waar de vulling uitstak.”

Iets van dat cowboyleven is straks in het Stedelijk te zien in de video Setting a Good Corner (1999). Een uur lang zien we de kunstenaar bezig met het bouwen van een hek op een kale vlakte. Twee bielzen staan al, de derde wordt in de grond gezet, en daarna spant Nauman het draad op. Ondertussen komt zijn vrouw even poolshoogte nemen en trippelen wat honden voorbij. Het lijkt een eenvoudige instructievideo, maar de verwijzingen naar minimalistische beeldhouwkunst en zijn eigen vroege video’s zijn evident. Nu is het niet de hoek van zijn eigen atelier die hij afbakent, maar een hoek in de wildernis.

Lees ook over de ranch van Georgia O’Keeffe in New Mexico: De berg van een koppige eenling

Nauman kreeg overigens van naburige cowboys en ranchers veel commentaar op zijn hekbouwtechniek, vertelt hij in de catalogus. „Boy, I learned!” Voor hem lopen zijn kunstenaarschap en zijn leven op de ranch door elkaar. Als er een muizenplaag is in zijn atelier, dan filmt hij dat, en levert het weer een nieuw en intrigerend kunstwerk op (Mapping the Studio II, 2001).

Het paarden trainen, vertelt Nauman in het New York Times-interview, heeft hem ook veel geleerd over hoe hij kunst kan maken. „Mijn vriend, de trainer Ray Hunt, ging heel intuïtief te werk met de paarden. Hij leerde je om ze zelf dingen te laten ontdekken en dat je niet voortdurend moest proberen je wil op te leggen. Dat heeft mijn denkwijze wel veranderd.”

Voor zijn recentste werken op de tentoonstelling is Nauman teruggegaan naar het allerprilste begin: de video’s van een man alleen in zijn studio. In de 3D-video-installatie Contrapposto Split (2017) zien we de kunstenaar opnieuw over een rechte lijn heen en weer wandelen, op een vrijgemaakt pad door de rommel in zijn atelier. De heupen zijn niet zo swingend meer. Zijn kuif heeft plaatsgemaakt voor een kale schedel, hij heeft het buikje van een oude man. Nauman is genezen van darmkanker en heeft een stoma. Door de chemotherapie is hij veel gevoel in zijn voeten verloren. Van de fysiotherapeut moest hij opnieuw in een rechte lijn leren lopen. Zo kwam hij op het idee om remakes te maken van die oude video’s.

Wankel, voetje voor voetje, schuifelt Bruce Nauman door zijn atelier, gekleed in eenzelfde wit T-shirt en eenzelfde spijkerbroek als toen. In niets meer de jonge god van vroeger, maar daardoor des te aangrijpender.

Bruce Nauman. 27 maart t/m 15 aug. In het Stedelijk Museum, Amsterdam. Inl: stedelijk.nl