Foto Andreas Terlaak

Interview

Lies Gallez: ‘Ik ben opgegroeid in allesoverheersende stilte’

Rijzende ster: literatuur Lies Gallez debuteert bij uitgeverij Querido met een verhalenbundel. Ze wil al schrijvend inzoomen op het lichaam, zoals ook een camera dat kan.

‘Soms is geluk één teen”, schrijft Lies Gallez (1990) in haar verhalenbundel Het water vangen. Haar debuut, waar veel tenen in voorkomen, verschijnt naar verwachting in maart bij uitgeverij Querido. In een van de verhalen stelt een verteller over tenen: „Ze geven slechts het begin of het einde van je lichaam aan, meer niet. En je kunt niet zonder. Wie een teen mist, wandelt anders en ongemakkelijk.” Wie één teen mist, is kortom niet gelukkig.

Wat Gallez precies met tenen heeft, weet ze niet. Die van haar zijn vreselijk lelijk, vindt ze, maar ze weet ze ook op waarde te schatten: ze brachten haar twee keer naar Santiago de Compostella, tijdens een van die twee tochten liep ze vijfhonderd kilometer.

Lies Gallez won al enkele prijzen voor verhalen die ze in verschillende literaire tijdschriften publiceerde. Dat ze debuteert met een verhalenbundel is niet echt handig, als je in Nederland een groot lezerspubliek wil bereiken. Een roman, of zodra er weer kan worden opgetreden een dichtbundel, zijn hier dan handiger. „Ik heb wel een roman overwogen, maar door de beperking voel ik me nu nog meer aangetrokken tot het verhaal. Het idee alles te geven met de restrictie van de omvang, daar wilde ik voor gaan”, vertelt Gallez aan de telefoon vanuit Antwerpen.

De stijl in de verhalen past bij de onderwerpen die ze bij de kop pakt: fluïde en associatief stapt ze over van tenen naar genderkwesties, van zelfmoord naar een blauw kippenhok.

Ze groeide op in West-Vlaanderen, waar volgens de bundel „de haren van kinderen naar patat ruiken”, en waar volgens Gallez veel wordt gezwegen. „Ik ben in een allesoverheersende stilte opgegroeid.” Het is ook een gebied waar het normaal is dat je als leerling een kip meeneemt naar huis wanneer die te groot is voor de doos in het klaslokaal.

„Tenen geven slechts het begin of het einde van je lichaam aan, meer niet”

Die kip is misschien wel de reden geweest dat Gallez schrijver is geworden. Door het beest leerde ze namelijk hoe ze moest liegen om toch iets voor elkaar te krijgen: op school loog ze dat ze van haar ouders de kip mocht meenemen, bij haar ouders loog ze dat alleen zij de kip kon behoeden voor de slacht. „Dat je als kind leert welke tool je in handen hebt om de wereld in te richten zoals jij wilt – het kan best dat dat toen is ontstaan. Het is een dunne lijn tussen wat je als kind weet en wat niet, en wat verbeelding is.”

Wat de verhalen bindt, is de lichamelijkheid die vaak met pijn gepaard gaat. „Die interesse komt denk ik door mijn audiovisuele achtergrond en dat ik het fascinerend vind dat een camera zo dicht kan inzoomen op een lichaam om bijvoorbeeld lust en afkeer te laten zien. Dat wilde ik ook schrijvend kunnen. Het lichaam bepaalt ook voor een belangrijk deel je identiteit.” Het verbaast haar dat we fysieke pijn zoveel beter verwoorden dan ‘zielspijn’.

In haar slotverhaal stelt ze de vraag: wat is de taal van pijn? „Al schrijvend was het heel helder. Ik denk dat ik dat in het laatste verhaal heb gevat. Het was wel het lastigste verhaal om te schrijven.”