Help, wat moet ik met mijn zooi?

Bewaren Als (63) en zijn vrouw straks kleiner gaan wonen is de vraag: welke spulletjes die je in de loop van je leven om je heen hebt verzameld gaan mee en welke niet?

Illustratie MAT

Dit vooropgesteld: het is absoluut geen kostbare verzameling die ik in huis heb. In Tussen Kunst & Kitsch zou ik er weinig indruk mee maken. Wat ik in de afgelopen jaren ook aan grafiek, boeken en historische fotografie meende te moeten aanschaffen: het zijn overwegend bezittingen met een hoog wat-de-gek-ervoor-geeft-gehalte. Als je het aan mijn vrouw vraagt, zijn het eigenlijk allemaal gewoon ‘oude spullen’. Veel te veel oude spullen vooral.

Kan zijn, maar het werden in datzelfde tijdsbestek wel echt mijn spullen. Net zozeer als mijn kinderen en kleinkinderen, mijn herinneringen, de familiealbums en de bescheiden sporen die ik ondertussen beroepsmatig in de samenleving heb achtergelaten, zijn ze verknoopt met het verhaal van mijn leven – mijn voetafdruk in het bestaan. Ik ben er sterk aan gehecht geraakt. Te zeer ook allicht. Er gaat bijvoorbeeld geen avond voorbij of mijn ogen glijden, net voor het slapengaan, nog een poosje langs alle volle muren en kasten. Wanneer ik ’s ochtends wakker word, herhaalt het ritueel zich als vanzelf. Vrij naar Van Ostaijen: Wim groet zijn dingen.

Ik besef eigenlijk pas sinds kort dat ik daarmee ook een probleem voor mezelf heb gecreëerd. Feit is namelijk dat ik met het plan van mijn jongere echtgenote heb ingestemd om op niet al te lange termijn een flink stuk kleiner en goedkoper te gaan wonen. Met de overwaarde op ons huidige appartement scheppen we zo de mogelijkheid om tegelijk te kunnen stoppen met werken en dan, met een bescheiden pensioen, toch rond te kunnen komen. De locatie waar het bungalowtje (haar „tiny house”) moet verrijzen, weet ze al. De afmetingen ervan staan ook vast. Klein. Superklein. Veel te klein voor al die ingelijste „zooi” van mij. „Want vrijwel alle wanden zijn straks ook van glas.”

Of ik daarom maar op voorhand afscheid leer nemen van veel dierbaar bezit, bedoelt ze ermee te zeggen. Er zijn al van die momenten waarop ze zich op haar onverbiddelijkst toont. Dan wijst ze „wel even” zelf aan welke litho’s, heliogravures, foto’s en schilderijen („veel te donker”) zeker niet mee moeten verhuizen. Voor de stapels archiefdozen en de meeste boeken is er hoe dan ook geen plek. Misschien is zo’n psychologische massage in therapeutisch opzicht best verantwoord. Maar de verlatingsangst die me op zulke ogenblikken elke keer opnieuw overvalt, zegt me dat zo’n aanpak voor mij voorlopig nog niet werkt. Ik hap naar adem bij elke vinger en blik die ze langs de muren laat dwalen.

Ik dacht, ook weer tot voor kort, dat ik de enige ter wereld was die wakker ligt van een boedelscheiding van deze aard. Dat blijkt geenszins het geval. Het is een wetenschappelijk erkend fenomeen, dat ouder wordende verzamelaars van allerlei slag naar de keel kan doen grijpen. Ongeacht of het nou om antiek servies, snuisterijen, zeldzame persingen van elpees of topkunst gaat. En ongeacht ook of de eigenaren er gedwongen afstand van moeten doen (door ziekte, opname in een zorginstelling, geldgebrek, overlijden), dan wel de tijd hebben om er erfgenamen of serieuze gegadigden (geen opkopers!) voor te vinden.

Koning op je eigen zolderkamer

Socioloog en wetenschapsjournalist Jaco Berveling, schrijver van het boek Hebben is houden (‘Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten’), stuurde me een Amerikaans onderzoek uit 2000 toe. Uit de 87 interviews met senioren in de leeftijd van 55 tot 82 jaar, wordt duidelijk dat ik met dezelfde problemen worstel als veel van de ondervraagden. Ook ik zou toch het liefst willen dat mijn bezittingen voor eeuwig binnen de familie blijven. Zoals ik, als vader van drie zonen die mijn interesses niet of naar mijn smaak veel te weinig, eh, eerbiedigen, daarom ook mijn kleindochter (van twee) maar alvast als beoogd schatbewaarster heb aangewezen.

In mijzelf verenig ik ook een hele trits aan verzamelaarstypen, zoals ze onder andere in het genoemde onderzoek naar voren komen. Onbewust kan het mij te doen zijn om later in mijn verzameling voort te leven. Het zal ook wel ergens door mijn hoofd spelen dat ik nu, bij leven en welzijn, al op het schild kan worden gehesen als een gerespecteerd bewaker van veronachtzaamd cultureel erfgoed. Dat ik in de ban van hebberigheid ben of een ordinaire koopverslaving heb, zou eveneens zomaar kunnen. En verder herken ik mezelf ook aardig in het archetype scharrelaar. De man van middelbare leeftijd die zich allengs meer uit zijn sociale omgeving terugtrekt en zich opsluit met zijn dingen. Koning op zijn eigen zolderkamertje of in diens eigen schuurtje.

Daarnaast onderscheid ik me ook niet van gelijkgestemden in de gretigheid en de intensiteit waarmee we over onze spullen van gedachten kunnen wisselen. Bij ondervinding zijn het met name mannelijke verzamelaars die dan onderling helemaal los gaan. Moeilijke of zelfs nukkige praters leggen als bij toverslag heel hun ziel en zaligheid bloot wanneer een praatje bij het onderwerp verzamelen is aanbeland. ‘Praatje’ is natuurlijk niet eens het woord ervoor. Er worden in zo’n gesprek per slot van rekening banden gesmeed die de verstandhoudingen in een goed huwelijk kunnen evenaren.

Ik ga bij een doorgewinterde mede-verzamelaar als Bert Sliggers, oud-conservator van het Teylers Museum in Haarlem, te rade over mijn angst om ‘alles’, ja de helft van mijn identiteit, dadelijk kwijt te raken. Sliggers (72), met wie ik op veilingen nogal eens in dezelfde fotografievijver vis, deelt al mijn hartstochten en veel van de bijbehorende eigenaardigheden. Maar met het pijnlijke proces van afstand doen van collecties heeft hij geen enkele ervaring. Het gros van zijn unieke verzameling erotische fotografie droeg hij jaren terug al aan de Koninklijke Bibliotheek over, zonder een legenestsyndroom tot gevolg. Bovendien heeft hij wel een eega die het boeiend en zinvol vindt dat hij zich nog steeds met nieuwe aanwinsten („rommel” – de mijne) omringt.

Illustratie MAT

Jaco Berveling sprak voor zijn bundel Hebben is houden echtparen waarvan beide partners door het verzamelaarsvirus zijn gegrepen, al tekent hij er onmiddellijk bij aan dat zulke tandems waarschijnlijk veruit in de minderheid zijn. „De meeste mannen hebben toch vrouwen die er helemaal niets van snappen, en ook de andere gezinsleden doen vaak wat meewarig over die ‘hobby’ van pa.”

Zoveel onbegrip kan er uiteraard ook weer toe leiden dat verzamelaars slapeloze nachten hebben van de mogelijkheid dat ze op een kwaaie dag dood onder aan de trap liggen of onder de tram lopen. Wat nou als niemand van de nakomelingen ook maar een flauw benul heeft van de soms enorme bedragen die met het aanleggen van een collectie waren gemoeid? Enige stiekemheid ter zake is verzamelaars immers bepaald niet vreemd.

Alarmsignalen

Berveling, zelf fervent verzamelaar van negentiende-eeuwse reisboeken, maakt zijn partner van tijd tot tijd attent op heel bijzondere en dure exemplaren die hij op de Haagse antiquarenmarkt heeft buitgemaakt. Mocht hij onverwacht het loodje leggen, dan weet zij dat die sowieso niet naar de kringloopwinkel moeten. Op haar beurt wrijft mijn echtgenote mij in dat ze na zo’n verdrietige gebeurtenis „werkelijk alles” bij het „grofvuil” zet of meegeeft aan de eerste de beste Marktplaats-handelaar. Dat mag dan plagerig zijn bedoeld, het leidt er bij mij vooralsnog niet toe dat al die doorwaakte uren kunnen worden omgezet in een vredige slaap.

In zeldzame boeken, die niemand in huis ooit zal openslaan, vinden ze na mijn verscheiden eendere schriftelijke alarmsignalen

Om ze voor dat lot te behoeden, plak ik achter op alle ingelijste foto’s en grafiek nu briefjes waarop staat wat de aanschaf ervan heeft gekost, en hoe speciaal („Van een ateliergenoot van Picasso!”) deze en gene vondst in het licht van de kunstgeschiedenis wel niet is. In zeldzame boeken, die niemand in huis ooit zal openslaan, vinden ze na mijn verscheiden eendere schriftelijke alarmsignalen. Behoor ik over een jaar vijf nog altijd tot de overlevenden, dan is mijn kleindochter gelukkig alweer zeven. Of dan heb ik mijn vrouw eventueel zover dat er, ten koste van een paar vierkante meters van haar moestuin, ook een schuurtje naast dat bungalowtje van haar mag worden bijgebouwd.

Erna kan ik met mijn laatst overgebleven lijsten en boeken dan uiteraard nog terecht in een van de twee bejaardentehuizen van Humanitas in Rotterdam, waar in de kelders een ‘herinneringsmuseum’ voor de bewoners is ingericht. Een permanente tentoonstelling van alle parafernalia die smoel en betekenis hebben gegeven aan het verhaal van hun leven. Een narrative framework, zoals het in dat Amerikaanse onderzoek naar verzamelaarsneuroses heet, waarmee verpleegkundigen en geriaters bejaarde mannetjes als ik dan nog even het idee kunnen geven dat het allemaal niet voor niks is geweest.