Wie valt wat te verwijten in de Toeslagenaffaire?

Toeslagenaffaire De politieke vraag ligt op tafel: welke (oud-)bewindslieden moeten verantwoordelijkheid nemen voor het ontspoorde fraudebeleid? Dit is wat de ondervragingscommissie hun verwijt.

De lege zaal voor aanvang van een verhoor door de parlementaire ondervragingscommissie die de Toeslagenaffaire heeft onderzocht.
De lege zaal voor aanvang van een verhoor door de parlementaire ondervragingscommissie die de Toeslagenaffaire heeft onderzocht. Foto Bart Maat/ANP

De hoofdvraag in het rapport over de ontspoorde fraudebestrijding bij de kinderopvangtoeslag is: welke bewindspersoon wist wat wanneer en waarom deed hij (m/v) niets met signalen over misstanden? Die vraag zal ook de leidraad zijn bij de politieke weging deze week binnen ministerraad en de top van de coalitie en volgende week in de Tweede Kamer: welke bewindslieden zijn verantwoordelijk te houden voor welke fouten? Hetzelfde geldt natuurlijk voor één prominent oud-minister, die nog politiek actief is: PvdA-leider Lodewijk Asscher.

Welke verwijten legde de parlementaire ondervragingscommissie, onder leiding van voorzitter Chris van Dam, op tafel?

Mark Rutte (VVD), minister-president

Vanaf juni 2013 leidde Rutte de ministeriële commissie aanpak fraude. Die was speciaal opgericht na de maatschappelijke ophef over de zogenoemde Bulgarenfraude en de fraude met het persoonsgebonden budget (pgb). Tegenover de ondervragingscommissie stelde Rutte dat er binnen die subcommissie van de ministerraad „nooit gedetailleerd over departementen” gesproken is. Hij erkende daarbij dat de nadruk die het kabinet op de harde aanpak van fraude legde ertoe kan hebben geleid dat „er bij mensen in de uitvoering een gevoel is ontstaan van: dit is wel heel erg belangrijk, wij kunnen nu een grens over gaan”.

Het tweede verwijt tegen Rutte is fundamenteler en gaat over de gebrekkige informatievoorziening van de regering richting het parlement. „De Tweede Kamer”, schrijft de onderzoekscommissie, „werd verschillende malen onjuist geïnformeerd” en „stuitte bovendien op weigeringen van het kabinet om informatie te verstrekken, bijvoorbeeld onder het mom van persoonlijke beleidsopvattingen, in overeenstemming met de zogenoemde Rutte-doctrine.”

Dat is een persoonlijk verwijt aan de werkwijze die premier Rutte op zijn ministerie van Algemene Zaken hanteert. Rutte zelf vindt de naar hem vernoemde ‘doctrine’ te veel eer. Wel staat hij erachter dat niet alle onderlinge ambtelijke stukken terstond naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Rutte over de Toeslagenaffaire: ‘Een verschrikkelijk ongeluk’

Wopke Hoekstra (CDA), minister van Financiën

De rol van de nieuwe lijsttrekker van het CDA is relatief gezien beperkt geweest in de Toeslagenaffaire, al is hij als minister staatsrechtelijk gezien wel verantwoordelijk voor de portefeuille die is ondergebracht bij zijn staatssecretaris. Pas vanaf het voorjaar 2019 is Hoekstra zich intensiever met de Toeslagenaffaire gaan bemoeien.

Over de gebrekkige informatievoorziening aan de Tweede Kamer worden in het onderzoeksrapport Ongekend onrecht van de commissie-Van Dam geen opmerkingen over het handelen van Hoekstra gemaakt. Maar in een televisie-interview stelde commissielid Renske Leijten (SP) dat het ministerie van Financiën een omineuze rol speelt bij de vraag welke informatie – ook van andere departementen – wel en niet naar de Tweede Kamer gaat. Als dat zo is, zal Hoekstra zich daarvoor moeten verantwoorden.

Eric Wiebes (VVD), minister van Economische Zaken en Klimaat

Het duidelijkste geval van verkeerd informeren van de Tweede Kamer kwam voorbij tijdens het openbare verhoor van Eric Wiebes, de VVD’er die in het vorige kabinet als staatssecretaris van Financiën verantwoordelijk was voor de Belastingdienst en daarmee voor de uitvoering van het toeslagenbeleid.

In september 2017 reageerde hij op Kamervragen over het twee maanden eerder verschenen rapport van de Nationale Ombudsman, over de eerste bij hem bekende ontsporing van fraudebestrijding bij een gastouderbureau in Eindhoven. Op de vraag ‘Zijn er ouders, kinderopvanginstellingen/gastouders en bemiddelingsbureaus die een onnodig grote schade geleden hebben van het abrupt stopzetten en terugvorderen van kinderopvangtoeslag in 2014?’ antwoordde Wiebes: „Daar is niets van gebleken.”

Tegenover de ondervragingscommissie noemde hij dat antwoord „onbegrijpelijk, verbijsterend, fout en idioot”. De huidige minister wist achteraf gezien wel hoe hij had móéten handelen in de zomer van 2017 om erger leed te voorkomen. Hij had meteen met de Ombudsman moeten praten en via hem met de getroffen ouders. De ondervragingscommissie concludeert over Wiebes dat hij „geen besef had van de werkelijke omvang van de problemen”.

Tamara van Ark (VVD), minister voor Medische Zorg

DEN HAAG - Portret van VVD-lid Tamara van Ark. ANP MARCO DE SWART

Voor zij vorig jaar promoveerde tot minister was Van Ark als staatssecretaris van Sociale Zaken verantwoordelijk voor de beleidskant van de kinderopvangtoeslag. Haar rol is in die zin, in tijd gemeten, beperkt geweest. Bovendien liet ze het toeslagendossier vooral over aan haar collega’s bij Financiën. Over die werkverdeling heeft de onderzoekcommissie een eerste verwijt aan het adres van Van Ark. „De wijze waarop het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid haar verantwoordelijkheid voor het beleid heeft ingevuld, is ver onder de maat geweest.”

Pas in september 2018 raakt ze op de hoogte van de harde aanpak, schrijft de commissie. „Daarvoor zag zij wel hoge terugvorderingen, maar zij beschouwde dat als regulier onderdeel van de voorschotsystematiek.”

Lodewijk Asscher (PvdA), Tweede Kamerlid en fractievoorzitter


Het al dan niet aanblijven van Lodewijk Asscher ligt niet op tafel bij de extra ministerraad – hij zit niet in het kabinet. Maar als het kabinet besluit om terug te treden zal de politieke druk op de lijsttrekker van de PvdA verder toenemen. Hij speelde als vorige minister van Sociale Zaken eveneens een grote rol in de Toeslagenaffaire.

De commissie-Van Dam noemt hem als een van de vier (voormalige) bewindslieden die als lid van Rutte II en als lid van de ministeriële commissie aanpak fraude „een harde aanpak van fraude mede hebben geïnitieerd”.

Lees ook: Lodewijk Asscher biedt persoonlijke excuses aan voor Toeslagenaffaire

Vervolgens heeft Asscher als minister de „intensivering van fraudebestrijding” goedgekeurd. En hij deed niets met „signalen over de disproportionele gevolgen van de hoge terugvorderingen”.

Meest pijnlijke moment tijdens de verhoren voor de commissie was toen Asscher werd geconfronteerd met smeekbrieven die gedupeerde (groot)ouders in 2013 en 2014 aan hem als minister hadden geschreven. Asscher antwoordde daar technocratisch op door te zeggen dat hij niet op individuele gevallen kon ingaan. Desgevraagd reageerde hij voor de commissie schuldbewust. „Als ik het zo teruglees, vervult het me met schaamte dat ik het daarmee heb afgedaan en dat ik niet heb gezegd: wat nou als deze mensen gelijk hebben?” En hij bood er inmiddels via Facebook ook zijn excuses voor aan.