Waskrijtjes

schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deze week: Wil is pleite.

‘Kijk eens wat ik bij me heb!” Met een emmer waskrijtjes in mijn rechterhand, twee blikken doosjes kleurpotloden in mijn linkerhand en een kleurrijk plan in het verschiet sta ik enthousiast in de deuropening van mevrouw K’s woning. Ik hou de spullen omhoog. Mijn enthousiasme blijkt niet aanstekelijk, want als mijn schildermaatje van de televisie naar me opkijkt, vang ik ondanks het mondkapje dat ze op heeft, een verwarde indruk op.

„Wat moet ik met al dat spul?”

Een beetje beteuterd leg ik de lading tekengerei neer om op de bank plaats te nemen. Klanken van ‘De Westertoren’ van Johnny Jordaan dansen door de kleine ruimte. „Ik ben naar de winkel geweest voor de krijtjes. U vroeg om waskrijtjes, omdat dat makkelijker werkt dan verf.” Ik sta op om de emmer kleursel erbij te pakken. Als ik deze open, doe ik nog een poging om mevrouw K. te enthousiasmeren.

„Kijk, dertig verschillende kleuren om helemaal mee los te gaan.”

Mevrouw K. pakt een grasgroen krijtje uit de emmer en bekijkt dit van verschillende kanten. Dan legt ze het neer op tafel en werpt haar blik weer op de tv. Een vliegmaatschappij prijst de laagste vroegboektarieven naar veelbelovende bestemmingen.

„Dit was met Wil veel leuker geweest.”

Mijn kleurrijke plan wordt meteen een tintje valer. Als mevrouw K. over Wil begint, voorspelt dat weinig vrolijks.

Wil is de oude huisgenoot en beste vriendin van mevrouw K. Het verzorgingstehuis waar de dames woonden moest wegens wijkvernieuwingsplannen in Amsterdam Nieuw-West sluiten en zo waren de vriendinnen gedwongen te verhuizen naar een ander verzorgingstehuis. Wil verhuisde naar een tehuis in Rotterdam en mevrouw K. leeft sinds die tijd in gemis. Eén keer in de week bellen de vriendinnen met elkaar.

„Met Wil was het inderdaad vast een stuk gezelliger geweest. Heeft u haar nog gesproken?”

Mevrouw K. heeft haar blik niet afgewend van de televisie. „Ze is dood.” Onvoorbereid op dit antwoord slik ik een brok schrik weg. „Wat bedoelt u?”

Mevrouw K. kijkt me nu aan. Haar blik leeg. „Wil is dood. Foetsie. Pleite. Het hoekje om.” Mevrouw K. en ik kijken elkaar een paar seconden aan als ik weer iets kan zeggen. „Wanneer is dat gebeurd?”

„Gisteren. Of vorige week. Ik weet het niet meer precies, maar voor mij is het ook welletjes geweest.”

De mensen in het spotje van de vliegmaatschappij grijnzen ons vals toe als ik naar woorden zoek om het moment draaglijker te maken. Even kom ik nergens op.

Om de privacy van betrokken ouderen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.