Recensie

Recensie Boeken

Het kán: een kinderboek over het schrijven van een kinderboek

Sjoerd Kuyper Het 25-jarige jubileum van het Kinderboekenmuseum levert een kinderboek op vol Droste-effecten en literaire verwijzingen. Maar ook een warmhartig verhaal over verbeelding.

Illustratie Sylvia Weve

Een kinderboek schrijven ter ere van het zilveren jubileum van het Kinderboekenmuseum – dat is bepaald geen sinecure. Als je ‘het wonder dat schrijven en lezen heet’ daadwerkelijk wilt vieren, ontkom je er niet aan iets te zeggen over de kracht van de verbeelding en hoe fictie werkt. Maar welk kind zit er nu te wachten op een verhaal met metafictionele reflecties? Toch kan het, een kinderboek schrijven over (het schrijven van) boeken. Sjoerd Kuyper verzon een even overtuigend als fantastisch verhaal over de nachtwaker van genoemd museum, met als inzet een vernuftig spel met het Droste-effect. De fraaie cover van Sylvia Weve, met een recursieve afbeelding van een in het donker schrijvende figuur, en ook de titel, Meneer Droste van het Kinderboekenmuseum, verraden het feitelijk al.

Vergetelheid

Onder de eenduidige titel ‘Hoe het begon? Zo…’ begint de plot bedrieglijk rechttoe-rechtaan. Meneer Droste (66) moet, met de pensioenleeftijd in zicht, stoppen als nachtwaker van het Kinderboekenmuseum. Dat valt hem zwaar. Sinds zijn vrouw Eline jong overleed, is de plek zijn alles. Daar groeide zijn dochter Ronja op. Daar lazen ze samen boek na boek na boek. Daar was en is hij gelukkig. Bevangen door de angst om na vijfentwintig jaar nachtwaken te verdwijnen in vergetelheid, besluit hij een kinderboek te schrijven, zodat hij, net als al die schrijvers in het museum, eeuwig zal voortleven. Als zijn schrijfpogingen vervolgens mislukken, schiet kleinzoon Tiuri te hulp. Ingegeven door de gedachte dat ‘je beter iemand in een boek kan zijn dan de schrijver van een boek’ (zo kent iedereen Pinokkio, terwijl zijn geestelijk vader nagenoeg is vergeten), oppert Tiuri een boek over zijn opa te laten maken door diens favoriete levende schrijver en illustrator. Geholpen door zijn moeder en de museumdirecteur wordt het plan voor opa’s afscheid ten uitvoer gebracht.

Wensenlijstje

Tot zover vallen de Droste-achtige verwikkelingen nog mee. Ja, Kuyper heeft zichzelf dan al wel slim in het verhaal geschreven als de degene die het boek over opa Droste zal schrijven. En ook de nodige literaire bespiegelingen zijn al de revue gepasseerd. De dialoog tussen Tiuri en opa’s favoriete schrijver (Kuyper blijft anoniem en speelt zijn fictieve rol aldus met verve) over wat voor boek opa moet krijgen, bestrijkt zelfs een heel hoofdstuk. Waarbij opvalt dat Tiuri’s wensenlijstje duidelijk Kuypers eigen literaire criteria weerspiegelen. Zo moet er gelachen kunnen worden, want boeken ‘zonder gekte zijn waardeloos’, en moet de afloop blijmoedig zijn.

Kuypers overpeinzingen over wat goede schrijfkunst behoeft, storen echter geenszins. Hij slaagt er knap in te focussen op de personages en hun onderlinge band. Opa’s verlangen om niet betekenisloos uit het leven te verdwijnen, zijn liefdevolle herinneringen aan zijn overleden Eline en Tiuri’s wens zijn opa middels een verhaal levend te houden, zijn herkenbaar menselijk. Ze ontroeren en maken van Meneer Droste een oprecht, warmhartig verhaal.

Als ‘Meneer Droste van het Kinderboekenmuseum’ (het boek in Kuypers’ boek) daadwerkelijk begint, wordt de ingenieuze verhaalvorm ongemerkt steeds complexer. Zitten we in Kuypers verhaal? In dat van zijn alter ego? Of dat van opa Droste, die zich ondanks zijn beperkte schrijftalent toch als een echte verhalenverteller ontpopt? Zijn brief waarin diverse vertellers het geheim onthullen van de vermeende, in het museum verborgen, afgehakte handen van Ite, die vanaf de eerste bladzijde een aanjagende rol spelen omdat ze schrijvers zouden inspireren, getuigt van onvervalste vertelkunst. Het middeleeuwse verhaal over een jonge vrouw wier handen werden afgehakt omdat ze tegen de wil van de abt van Egmond kinderen leerde lezen, leest als een spannende legende, waarbij opa onbeslist laat wat echt is: het verhaal, of de handen. Leuk dubbelzinnig is bijvoorbeeld het moment wanneer Kuypers alter ego stiekem op zoek gaat naar Ite’s wonderhanden om zijn writer’s block te verhelpen en Droste hem betrapt: ‘De handen van Ite zijn in jouw hoofd, schrijvertje. Jouw fantasie is te groot’. Die eerste zin blijkt waar, de tweede echter niet: ‘Een mens heeft meer werelden in zijn hoofd dan er sterren aan de hemel staan’, concludeert Kuyper uiteindelijk bij monde van zijn alter ego, die, ondersteund door Weve’s licht bevreemdende prenten, via meneer Droste een prachtige ode aan de verbeelding brengt.