Kind aan huis bij de voetbalclub waarover je kritisch bericht. De balanceeract van een clubwatcher

Voetbaljournalistiek De Eredivisie is hervat, vanwege de lockdown in lege stadions. Leeg op een paar stoelen na die veelal gevuld worden door de clubwatchers. Deze journalisten volgen ‘hun’ club dag in, dag uit. Hoe blijven ze onafhankelijk?

Verslaggevers Jeroen Kapteijns, Martijn Krabbendam en Mikos Gouka voeren een persgesprek met Jaap Stam tijdens een trainingssessie van Feyenoord in Scheffau am Wilden Kaiser in Oostenrijk.
Verslaggevers Jeroen Kapteijns, Martijn Krabbendam en Mikos Gouka voeren een persgesprek met Jaap Stam tijdens een trainingssessie van Feyenoord in Scheffau am Wilden Kaiser in Oostenrijk. Foto Gerrit van Keulen/ ANP

Afgelopen weekend ging na een korte winterstop de Eredivisie Voetbal bij de mannen weer van start. De camera’s van ESPN – de nieuwe vlag waaronder Fox Sports deze competitie uitzendt – begonnen de kraker tussen Ajax en PSV met een flitsende rondgang van de stadionpoort tot aan de stoeltjes van de Johan Cruijff Arena. Die natuurlijk, nieuw is het allang niet meer, allemaal leeg waren. Allemaal? Nee, toch niet. Wie goed keek zag boven de stoelen voor wissels en trainers een aantal kleine vlekjes in het stadion. Hier zitten de journalisten. Waaronder de clubwatchers, een select gezelschap journalisten met maar één taak: het volgen van één en dezelfde voetbalclub. Ze volgen ‘hun’ club op de voet, soms al jarenlang en verkeren zo dicht als in coronatijd mogelijk op de staf en de spelers. Dat roept de vraag op: kun je een club waar je zó dicht bovenop zit wel kritisch volgen?

Mikos Gouka begon als clubwatcher van Sparta, maar sinds een jaar of tien is hij voor het Algemeen Dagblad de vaste volger van Feyenoord. „Het is alsof je eerst ergens hartelijk wordt ontvangen, daar de spannendste verhalen hoort, en dan een huis verder alles doorvertelt”, zegt hij.

„Het blijft balanceren. Je moet oordelen over mensen die je daarna nog recht in het gezicht moet kunnen aankijken. Het is makkelijker om te zeggen dat je een trainer waardeloos vindt en de spits een ‘weggooier’ als je eens in de drie maanden komt kijken, maar clubwatchers zoals ik komen er elke dag. Dat betekent dat je met open vizier journalistiek moet bedrijven, anders hou je het niet vol.”

Als Gouka een negatief artikel in de pen had, dan bereidde hij de betrokkenen daar meestal op voor. „Een explosief verhaal moet niet als donderslag bij heldere hemel komen”, vindt hij. „Tegen de nieuwe ADO-watcher van het AD zei ik: gooi niet direct een paar stenen naar binnen, denk aan de lange termijn. Zorg dat ze je eerst leren kennen. Uiteindelijk zullen ze dan meer van je accepteren.”

Dat Mikos Gouka kind aan huis is bij Feyenoord betekent overigens niet dat voetballers en staf hem altijd te woord willen staan. Dat weerhoudt hem er echter niet van om over heikele onderwerpen te schrijven. Het helpt volgens hem dat een voetbalclub uit veel mensen bestaat. „Dat zal bij Formule 1-pers of schaatsverslaggevers lastiger zijn. Die zitten dichter op één persoon. Op Max Verstappen bijvoorbeeld, of Sven Kramer.”

Toen Ronald Koeman als trainer begon bij Feyenoord, verwelkomde hij volgens Gouka het AD op de bagagedrager van de club. Alsof de Rotterdamse krant hetzelfde belang dient. Later zou Koeman ook soms balen van publicaties, aldus Gouka: „Ik vloog ooit met Feyenoord naar Marbella. De sfeer was bedrukt en vervolgens kopte de krant online ‘sfeer grimmig bij Feyenoord’. Toen Koeman dat stukje las, zei hij: de foto krijgen ze niet.”

In januari 2016 kreeg Gouka in de persruimte de volle laag na een onwelvallig artikel. „Jij gaat neer”, zei Feyenoord-spits Colin Kazim-Richards. Voor trainer Giovanni van Bronckhorst reden om de aanvaller te schorsen. „Prima als mensen iets van mij vinden”, zegt Gouka over dat incident. „Maar hij dreigde vrienden te bellen die mij zouden aanpakken. Uiteindelijk is hij bij Feyenoord vertrokken, maar anders hadden we dat wel even moeten uitpraten natuurlijk.”

Bij dergelijke conflicten helpt een stevige hoofdredactie, benadrukt Gouka. „Die staat achter mij, maar ik vraag me wel af of zij begrijpen in welke wereld ik rondloop, ook wat de supporters betreft, die zich regelmatig laten horen. Ik ben zelf nooit in de problemen gekomen, maar weet wel van collega’s die over hun schouders moesten kijken na een kritisch stuk over supporters.”

Informanten koesteren

Martijn Krabbendam is alweer een tijd clubwatcher bij Feyenoord voor Voetbal International. Ook hij weerspreekt het idee dat je als ‘kind aan huis’ beperkt bent in je uitingsvrijheid. „Ik kan juist meer maken nu ik er langer rondloop”, merkt hij. „Ik kan me nog herinneren dat Mikos en ik bij een wedstrijd waren op een koude maandag in januari tegen AGOVV en dat toenmalig trainer Van Bronckhorst zei: ‘jullie zijn er wél altijd’. Dat in tegenstelling tot zijn eigen spelers dus.”

Krabbendam heeft ook zo zijn akkefietjes meegemaakt. Zo werd hij in 2015 geboycot door de spelers van wie voetballer Dirk Kuijt woordvoerder was. „Dat was niet leuk, maar daar leer je mee leven. Je moet altijd bedenken dat een club andere belangen heeft dan jij en dat botst zo nu en dan. Tijd heelt alle wonden.”

Jaap de Groot, tegenwoordig werkzaam voor Het Parool en verschillende buitenlandse media, was lange tijd in dienst bij De Telegraaf. Hij kwam toen jarenlang als verslaggever bij verschillende clubs over de vloer en werd in 2006 chef van de Telesport. „Eigenlijk ben ik bij alle topclubs in Nederland clubwatcher geweest”, vertelt hij. „AZ, FC Utrecht, FC Twente, PSV, Feyenoord, Ajax en Oranje – maar ik zat niet hele dagen bij een club hoor.”

Toen De Groot eenmaal als chef aan de slag was, namen sociale media een vlucht en zo ontstond er een enorme wedloop om de laatste nieuwtjes tussen AD, de Telegraaf en VI. „We moeten nóg dichter op de clubs zitten, besloot ik toen. Er moest een tandje bij.” De keerzijde, zo ervaarde hij ook, was het risico op beïnvloeding. „Voorkom dat je voor je nieuwsvoorziening te afhankelijk wordt van een beperkt aantal personen.” Dat is ook nergens voor nodig, meent hij, want bij zo’n grote club kun je altijd wel ergens terecht. Op een gegeven moment wist hij ook precies wie hij wel en niet kon vertrouwen. Zo koesterde hij de informanten die hem nog nooit belazerd hadden. „En die ook reëel bleven, die ook snapten dat het je vak is om kritiek te hebben.”

Bronnen verbergen

Ja, het kwam weleens voor dat één van zijn verslaggevers te betrokken raakte bij een club. Nee, namen noemt hij niet. „Dan liet ik verslaggevers ruilen van club en werd de berichtgeving weer frisser.” Zeker topclubs maken het clubwatchers graag naar hun zin. Maar hoe warm het bad ook voor ze wordt gemaakt, zolang de clubwatchers zonder blikken of blozen als eerste het nieuws brengen zodra zich dat voordoet, is het volgens De Groot prima. „Wij waren goed in nieuwsgaring. Als er bij Ajax of Oranje iets mis was, brachten wij dat meteen. We maakten ook goed gebruik van social media en daar moet je opvallen door de eerste te zijn.”

Wat voor eigenschappen heeft een succesvolle nieuwsjager? De Groot: „Dat is ondefinieerbaar, een soort sixth sense. Nieuwsjagen is een vak apart.” Om de concurrentie voor te blijven, werd hij spaarzaam met citaten op sociale media. „Anders kunnen andere journalisten die bron meteen bellen en in hun eigen publicatie opnemen. Dan hoeven ze jouw medium niet meer te noemen.”

Clubwatchers worden vaak uitgenodigd voor talkshows en tegenwoordig ook voor een keur aan podcasts. Mikos Gouka is vaak te horen in de AD Podcast, maar schuift ook aan bij Fox of de NOS. Martijn Krabbendam zit bij Veronica Inside, Fox en zijn eigen VI-podcasts. De Groot vindt dat verslaggevers wel wat vaker nee mogen zeggen. „Zodra zij zichzelf als merk gaan zien, wordt het riskant. De gouden regel is dat een sportjournalist geen beleid maakt, maar beoordeelt.” Het stoort hem dat hij sommige journalisten op hoge toon hoort dicteren welke spelers een trainer moet opstellen en welke club een speler moet kiezen. Een Nederlandse ziekte, meent hij. „In Engeland en Duitsland laten ze de invulling van die keuzes veel meer aan analisten over, zoals Kenneth Pérez en Wim Kieft. Bovendien vind ik de mening van een journalist niet zo interessant. Zodra journalisten zichzelf als merk zien, gaan ze uitspraken doen om de uitspraak. Enkel om zelf op te vallen.”

Als voorbeeld geeft Jaap de Groot het debat over de nieuwe bondscoach. Verslaggevers buitelden over elkaar heen om hun voorkeuren te delen. „Dat werd bijna koddig en tegelijk de ontmaskering van de Nederlandse sportjournalistiek.”

Ook bij de topclubs zelf schort het volgens de voormalig sportchef aan professionele omgang met de media. Voorbeelden van flaters geeft hij niet. Liever wijst hij op een interessant experiment in 2018 bij de New York Yankees. Zo was de Nederlandse Hensley Meulens ooit kandidaat-coach bij de Amerikaanse honkbalclub. Toen The New York Times dat nieuws bracht, maakten de Yankees direct de namen van alle kandidaten openbaar. Zelfs wanneer zij op gesprek zouden komen bij de club. De Groot: „Na afloop van elke sessie kon de kandidaat geïnterviewd worden. De Yankees gebruikten die interviews als test voor hoe de kandidaat omgaat met mediadruk.”

Zo blijkt: je kunt er altijd nóg dichter bovenop zitten. En die nabijheid levert nu eens tips op en dan weer ruzie. Maar zolang je het allemaal met open vizier doet en duidelijk onderscheid blijft maken tussen meningen en feiten dan kom je een heel eind, zo leert deze rondgang. Al zul je soms – ook in een podcast – wél jezelf als merk met een mening even in de ijskast moeten stoppen. Voor je het weet zit je niet meer op je stoeltje in het stadion maar op die van de trainer.