Opinie

We onderbreken de revolutie even voor de reclame

Tommy Wieringa

Urenlang keken we naar het duistere carnaval op Capitol Hill. Opgezweept door een verliezende president (god, wat krenkt dat woord ‘verliezend’ hem) koelden de beeldenstormers hun woede op de symbolen van de macht – omdat het kon, omdat niemand ze tegenhield. Het was al zo lang aangekondigd, er werd al zo lang op gehint en mee geflirt, en nu was het dan zover: een hartstochtelijke ontlading van geweld. „It’s gonna be wild”, hij had het voorzegd inderdaad. Hij riep zijn aanhangers op het democratisch proces te verstoren en de formele bekrachtiging van zijn opvolger te blokkeren. Een wanhoopsdaad. De laatste dagen van een keizer zijn het meest te vrezen.

De man die de waarheid commandeerde als een hondje en het land bestuurde als zijn eigendom, zag zijn ruimte kleiner en kleiner worden. Getrouwen verlieten hem, de macht glipte tussen zijn vingers weg, een onhoudbare krimp had ingezet: ook het lot van veel autocraten, die zichzelf aan het eind van hun heerschappij terugvinden in steeds kleinere ruimtes zoals rioolbuizen en gaten in de grond. Maar deze erbarmelijke president bleek een nog veel erbarmelijker couppleger: angst en woede kon hij aanjagen, maar ze organiseren en effectief maken kon hij niet. Er was geen plan en geen strategie, het was als altijd bluf en improvisatie.

„Wij gaan naar het Capitool!”, riep hij zijn aanhang toe, maar toen die eenmaal in beweging kwam bekeek hij het vervolg op televisie. Daar ging zijn opgefokte trollenleger, zo doortrokken van zijn boosaardige leugens over gestolen verkiezingen dat het nu op zoek was naar wraak en genoegdoening. Een stoet van paramilitaire speknekken en bonte variétéartiesten brak door de hekken en eiste de macht op in het hart van de macht. Zo gemakkelijk is het om in te breken in het huis van de democratie en je modderpoten op de tafel van de rechtsstaat te leggen.

En toen ging CNN er even tussenuit voor de reclame en zagen we Bill Murray whiskey aanprijzen. Absurdisme heeft veel gezichten. Zelf dronken we er veertig jaar oude port bij en pookten het haardvuur nog eens op; het zag ernaar uit dat het nachtwerk werd.

Vertwijfeld vroegen sommige CNN-commentatoren zich af waar de president was, waarom hij zich stilhield en het geweld niet veroordeelde. Dat was een reflex uit vroeger dagen, toen de president bij nationale crises op televisie kwam om woorden van troost en geruststelling te spreken. Het leek of ze nog altijd niet konden geloven dat ze nu in een land woonden waar de president de crisis zelf veroorzaakte en zijn handen warmde aan de brand.

Eenzelfde soort ongeloof sprak uit Joe Bidens reactie op de gebeurtenissen: „Dit is niet wie wij zijn”, zei hij vertwijfeld, „dit is niet wat Amerika is”. Wat een futloze bezwering was, want alles wat we de afgelopen uren zagen was nu juist zo’n krachtig bewijs van het tegendeel.

De vandalen in het Capitool waren met velen en vertegenwoordigen een hoop energie. Destructieve energie. Er kon nog zoveel meer kapot, al was het teleurstellend dat ze hun woede moesten koelen op dode dingen en niet op levende verraders. Dingen smeken helaas niet om genade.

En daarna? Daarna niks. Ja, de verveling van een voorstelling die te lang duurt. Ze kregen honger en dorst, de hotdogkramen waren op Union Square achtergebleven. Het adrenalineniveau daalde, er was weinig meer te beleven, na een beetje duw- en trekwerk gingen ze ongehinderd huiswaarts.

Twintig jaar eerder, op 11 september 2001, hadden we ook zo ademloos voor de tv gezeten. Toen om te kijken naar een aanval op de VS van buitenaf. Die van vandaag was er een van binnenuit, en daarom zoveel alarmerender, omdat ze je het onheilspellende gevoel gaf dat je keek naar een democratisch wereldrijk dat aan zichzelf ten onder ging.

Tommy Wieringa schrijft elke week op deze plek een column.