Opinie

Tijd voor een progressieve volkspartij, de democratie staat op het spel

Politiek Net als vijftig jaar geleden moeten PvdA, D66 en GroenLinks de krachten bundelen, schrijft . Het doel is belangrijker dan de middelen.

D’66-leider Hans van Mierlo, PvdA-leider Joop den Uyl en PPR-leider Jacques Aarden kondigen hun schaduwkabinet aan.
D’66-leider Hans van Mierlo, PvdA-leider Joop den Uyl en PPR-leider Jacques Aarden kondigen hun schaduwkabinet aan. Foto Anefo/Nationaal Archief/bewerking NRC

Terwijl de aanvallen op onze pluriforme democratie grimmiger en gewelddadiger worden, is progressief Nederland, machtspolitiek gesproken, een lachertje. De laatste vooruitstrevende premier moest alweer 19 jaar geleden de deur van het Torentje achter zich dichttrekken. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft progressieve machtsonthouding nooit zo lang geduurd. Daarvoor was het trouwens ook meestentijds de dood in de pot. Sinds 1958 is Nederland slechts twaalf jaar geregeerd door een sociaal-democraat, te weten Joop den Uyl (1973-1977) en Wim Kok (1994-2002).

Deze machteloosheid zou PvdA, D66 en GroenLinks, de partijen die ooit (indirect) in de kabinetten van Den Uyl of Kok zaten, te denken moeten geven. Maar ze doen alsof hun neus bloedt. Twee maanden voor de verkiezingen van 17 maart hebben PvdA en GroenLinks weliswaar beloofd dat ze niet zonder elkaar gaan regeren, maar meer dan lippendienst aan een gemeenschappelijke zaak is dat niet. D66 houdt afstand tot alles wat naar samenwerking riekt. En de SP heeft met haar recentste eurosceptische standpunt weer extra barrières voor samenwerking opgeworpen.

Nederland zal komende jaren dus weer worden geregeerd door een premier van conservatieve, liberale of mogelijk populistische huize. De PVV is allerminst uitgespeeld.

Autoritaire populisten

Is dat erg? Ja. Het is ongezond als één kant van het democratische spectrum te lang in een isolement verkeert. Een pluriforme democratie – ik prefereer deze term boven het gangbare (Amerikaanse) begrip ‘liberale democratie’ dat in Europa een te beperkte ideologische connotatie heeft – herbergt naast liberalen en conservatieven ook sociaal-democraten, christen-democraten en vrijzinnig-democraten.

Daar blijft het niet bij. In een democratische rechtstaat zijn verkiezingen geen alles of niets-strijd om de politieke macht, waarna de winnaar zich het recht toe-eigent doof te zijn voor de verliezer en die desnoods te onderdrukken. Die democratische ruimhartigheid is echter geen vanzelfsprekendheid meer. Sterker, ze wordt bedreigd. Zo erg als in Amerika of Hongarije is het (nog) niet, maar de pluriforme democratie kan wel degelijk in het geding komen. Autoritaire populisten zijn in Nederland geen franje meer à la boer Koekoek in de jaren zestig. Dat gevaar zou bij de progressieven een belletje moeten doen rinkelen.

De notie dat progressieve partijen een blok moeten vormen, is exact een halve eeuw oud. ‘Progressieve concentratie’ stond toen hoog op de agenda van de PvdA, D66 en GroenLinks-voorloper PPR. Het idee om PvdA, D66 en PPR te bundelen in één nieuwe Progressieve Volkspartij (PVP) werd begin jaren zeventig met verve uitgedragen door Hans van Mierlo. Volgens de toenmalige D66-leider zou zo’n partij twee vliegen in een klap slaan. Progressief en conservatief zouden in het politieke landschap duidelijker tegenover elkaar komen te staan, zodat de kiezer voortaan vooraf wist waar hij aan toe was en niet achteraf zou worden verrast door een lood-om-oud-ijzer-coalitie waarin confessionelen toch het laatste woord hadden.

Tegelijkertijd zou een brede PVP links en progressief verbinden en zo beter in staat haar draagvlak te creëren voor de grote maatschappelijke hervormingen. Net als nu in het spectrum tussen SP en D66 waren ook toen links en progressief tussen CPN en D66 niet identiek, maar overlappende verzamelingen.

Kansrijker dan in 1973

Er kwam niets van terecht. Kort na de vorming van het kabinet-Den Uyl, dat nota bene mede dankzij Van Mierlo tot stand was gekomen en bekend zou worden door zijn gecombineerd links-progressieve visioen ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ (let op de volgorde), haakte de PvdA af uit angst voor ‘verwatering’ van haar socialistische identiteit.

Dit ‘verraad’, zoals het buiten de PvdA werd ervaren, is vijf decennia na dato echter geen reden om het PVP-plan op de schroothoop van de geschiedenis te laten rotten. Het idee dat de progressieve partijen hun bestaan voor een groter geheel op het spel moeten durven zetten, is nog altijd actueel. Nu de PvdA zich moet opmaken voor de een na slechtste verkiezingsuitslag uit haar geschiedenis, is het bovendien kansrijker dan in 1973.

PvdA, D66 en PPR presenteren een schaduwkabinet, november 1972. Foto Nationaal Archief/bewerking NRC

Natuurlijk, de tijd heeft niet stilgestaan. In de sixties had progressief links de grootste mond in het maatschappelijk debat, maar stonden de progressieve partijen qua regeringsmacht in de ‘cultureel revolutionaire’ jaren tussen 1959 en 1973 juist meestal buitenspel. Nu zijn culturele hegemonie en politieke macht omgedraaid. Radicaal rechts domineert het discours, maar D66 en PvdA spelen om beurten mee bij de tweede violen in de regering.

Parallellen

Er zijn ook herkenningspunten. Net als indertijd, toen Nederland veranderde in een geautomatiseerde diensteneconomie, is er weer een industriële revolutie gaande. Toen moesten de werkenden zich specialiseren en professionaliseren om mee te kunnen. Dit keer staat dankzij kunstmatige intelligentie niet alleen de fysieke maar ook de ‘mentale’ kant van de arbeid op het spel. De gevolgen zijn niet misselijk. Is het oude verlichtingsidee dat de mens een scheppend wezen is, passé? Wordt de gewone man een robot en bevredigende arbeid een gunst? Er doemt een sociale strijd op die alleen te vergelijken is met de ‘sociale quaestie’ van eind negentiende eeuw en waarin de progressieven nu, net als toen, het voortouw zouden kunnen nemen.

Ook de klimaatcrisis is herkenbaar. Sinds de Club van Rome vijftig jaar geleden openbaarde dat de consumptiemaatschappij aan haar vraatzucht ten onder zou kunnen gaan, is de klimaatproblematiek alleen nog maar intenser geworden. Voor Van Mierlo was het rapport ‘Grenzen aan de Groei’ in 1972 een van de belangrijkste argumenten voor een PVP. Dat zou het weer kunnen zijn.

Global warming is zelfs deel geworden van een bredere culturele oorlog. De radicaal-rechtse boeren, die democratisch gekozen politici intimideren of met hun trekkers het openbaar bestuur in een hele provincie kunnen omverwerpen, zijn anno 2020 machtiger dan de krakers die in de jaren zeventig hooguit een paar straten konden platleggen – maar niet het land.

Het effect van deze culture wars is een vorm van polarisatie waarbij de progressieve partijen worden gemangeld door de flanken. Deze cultuurstrijd wordt namelijk gedomineerd door diversiteitsideologen die met het modewoord ‘intersectionaliteit’ allerhande identiteiten (etnisch, cultureel, religieus en seksueel ) op één hoop gooien en denken dat deze eclectische grabbelton een politieke strategie is, en door radicaal en soms gewelddadig rechts dat, net als de presidenten Trump en Poetin, appelleert aan het chauvinistische sentiment dat de wereld van vroeger kan terugkeren.

De uitkomst van deze strijd is open. Maar het initiatief ligt bij radicaal rechts en meer en meer ook bij fascistoïde groepen. Stap voor stap brengen de nationaal-populisten de democratische rechtsstaat in diskrediet. Hun doel is een nationalistische volksdemocratie waarin één leider alle macht naar zich toe mag trekken.

Veel vrome woorden en goede bedoelingen, maar geen plan. Het is om te huilen

Wat hebben de progressieve partijen hiertegen in te brengen? Veel vrome woorden en goede bedoelingen, maar geen plan. De opbrengst van dit laat-maar-waaien is om te huilen. Bij de verkiezingen van 2017, toen de PvdA een historisch dieptepunt bereikte, haalden PvdA, D66 en GroenLinks samen per saldo net iets meer dan een kwart van alle stemmen. In 1977 had de PvdA in haar uppie bijna net zoveel aanhang. Deze weg naar beneden lijkt nog niet ten einde. Volgens de laatste peilingen zouden de progressieve drie bij verkiezingen nu niet verder komen dan een kwart van het electoraat.

Zo winnen ze de felle cultuurstrijd met de ‘volksdemocraten’ dus niet. Biedt bundeling wel soelaas? Nee en ja.

Nee, omdat een tweedeling van het politieke landschap geen rooskleurig perspectief meer is. Begin jaren zeventig spiegelden vooral D66 en in minder mate PvdA en PPR zich aan de dichotome Amerikaanse en Britse kiesstelsels die zo lekker regeringsmeerderheden creëerden. Door de gaten die Brexit en Trump intussen in de Britse en Amerikaanse samenlevingen hebben geslagen, zijn deze Angelsaksische polarisatiemodellen nu eerder afschrikwekkend voorbeelden geworden dan inspiratiebronnen gebleven.

Ja, omdat er nu andere kansen liggen. Politici laten zich kennen door de doelen die ze hebben en de middelen die ze gebruiken. Programmatische kwesties als: ligt de toekomst bij de markt of maakt de staat een comeback? Staan materiële zaken als kapitaal en arbeid centraal of draait de politiek meer om culturele mentaliteitsveranderingen? Vormvragen zijn: opteren partijen voor open pluriformiteit of voor gesloten meerderheidsdenken? Hanteren ze een paranoïde stijl jegens elkaar en minderheden of kiezen ze voor vertrouwen en compromisvorming?

Lees ook: Tijd voor een liberalisme dat de aanval kiest

Het doel of de middelen?

Als je deze ‘conflictdimensies’, zoals het in politicologisch jargon heet, in een assenstelsel tegenover elkaar plaatst, dan lijken de linkse en/of progressieve partijen anno 2021 meer op elkaar dan ze zelf willen weten. Gaat de vergelijking om onze sociaal-economische ordening, dan staan PvdA en GroenLinks dichter bij de SP dan bij D66. Is de politieke cultuur in onze rechtsstaat aan de orde, dan schurkt D66 weer dichter tegen het duo aan.

Het gebrek aan programmatische verwantschap wijst niet een-twee-drie in de richting van een nieuw PVP-experiment met D66, maar de overeenkomsten in strijdvormen juist wel. De vraag is dus wat in dit populistische tijdsgewricht belangrijker is: het doel of de middelen? Het antwoord is niet simpel. Eerst komt het eten en dan de moraal, nietwaar. Maar nu het ook gaat om verdediging van de pluriforme democratie lijkt een coalitie van gelijkaardige democratische stijlen mij net een slagje urgenter dan gemeenschappelijk programma’s.

Die prioriteit lijkt te worden gebillijkt door de kiezers van de betrokken partijen. Begin 2020 heeft Peter Kanne van I&O Research becijferd dat PvdA en GroenLinks samen 40 zetels in de Tweede Kamer zouden halen, 9 meer dan ze apart zouden krijgen. Als de SP aan deze ‘linkse eenheid’ meedoet, zou dat juist contraproductief uitpakken en zouden ze 3 zetels minder halen dan los van elkaar. I&O Research heeft helaas niet uitgezocht wat de opbrengst zou zijn van een trio met D66, PvdA en GroenLinks. Wel is uit ouder onderzoek bekend dat kiezers van D66 iets progressiever zijn dan de partij en dus mogelijk minder koudwatervrees hebben voor electorale samenwerking met PvdA en GroenLinks dan de top van D66.

Daarnaast is er nog zoiets als gezond opportunisme. In Nederland is de vraag relevant welke partij na de verkiezingen de grootste is. Die positie heeft geen formele status, maar biedt wel de kans om bij een kabinetsformatie het voortouw te nemen. Behalve in 1971, 1977 en 1982 (toen Den Uyl (PvdA) de meeste stemmen kreeg, maar Biesheuvel (ARP), Van Agt en Lubbers (beiden CDA) premier werden) heeft de grootste fractie afgelopen halve eeuw altijd de minister-president geleverd. Alleen door meer bundeling kunnen de progressieven die feitelijke bonus weer in het vizier krijgen.

Lees ook: GroenLinks en PvdA: fuseer, of laat de macht aan rechts

Ook hier politieke hooligans

Dat is eens te meer van belang omdat het in Nederland niet alleen gaat om weer eens een progressieve premier na twintig jaar. De inzet is hoger. Ook hier zijn er steeds vaker politieke hooligans die geen ander programma hebben dan met trekkers of wappies de instituties te vernielen. Deze vandalen laten zich niet door een verkiezingsnederlaag meer of minder uit het veld slaan. Donald Trump bewijst dat ook in een ogenschijnlijk uitgekristalliseerde democratie de instituties veel zwakker zijn dan ze op papier lijken. Na de machtsdronken bestorming van het Capitool deze week zal Trump een inspiratiebron voor velen blijven, ook in Nederland.

In de verdedigingslinies hiertegen is samenwerking met conservatief liberalen en christen-democraten uiteraard geboden. Bescherming van de pluriforme democratie is zeker geen exclusief progressieve taak. Maar omdat premier Mark Rutte (VVD) er afgelopen decennium niet in geslaagd is om een volksdemocraat als Geert Wilders „plezierig klein te houden”, zoals hij wel had beloofd, zouden de progressieve partijen een meer offensieve aanpak moeten wagen. De PVP van Hans van Mierlo kan tot voorbeeld strekken.

De tijd voor de verkiezingen van 17 maart is te krap voor een heus plan. Maar een stembusakkoord moet haalbaar zijn.

Defaitisme is geen optie meer. Het is tijd voor democratisch revanchisme.

Correctie (10 januari 2021): Eerder stond hier dat PvdA, D66 en GroenLinks in 2017 samen net iets meer dan een derde van alle stemmen haalden. Dat moet net iets meer dan een kwart zijn. Dat is aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.