Reportage

‘Onze revolutie is gestolen, ik kan wel huilen’

Jongeren Tunesië Tien jaar na de omwenteling die Tunesië democratie bracht, zeggen jongeren in het land dat ze niets zijn opgeschoten. Bijna iedereen wil naar het buitenland. „Hier is het geen leven.”

Demonstranten in de Tunesische hoofdstad Tunis tijdens de revolutie van 2011, waarbij dictator Ben Ali ten val kwam.
Demonstranten in de Tunesische hoofdstad Tunis tijdens de revolutie van 2011, waarbij dictator Ben Ali ten val kwam. Foto Christopher Furlong/Getty

De naam van de vrijwel lege discotheek Carpe Diem (Pluk de dag) langs een snelweg in een voorstad van Tunis doet op deze grijze decemberdag misplaatst aan. Binnen trekt rapper Malek Khemiri (33) mistroostig aan zijn sigaret. „De revolutie is gestolen”, zegt hij, gekleed in een modieus vest en voorzien van een oorbel. „Ik kan wel huilen. Ik ben 33 jaar en voel mij verstikt in Tunesië. Nu wordt er weer gepraat over een ander politiek systeem, maar ik haak af. Met politiek wil ik niets meer te maken hebben”, zegt de rapper, die tijdens de revolutie bekendheid kreeg wegens zijn politiek getinte teksten.

Begin december 2010, vlak vóór de start van de revolutie, bracht Khemiri’s groep Armada Bizerte, een nummer uit met de profetisch gebleken titel ‘muziek van de revolutie’. „Er hing iets in de lucht”, herinnert Khemiri zich. „We voelden dat het niet goed ging, al hadden we nooit durven vermoeden dat er iets van een revolutie mogelijk was.” Door de omwenteling werd de groep nationaal en internationaal bekend, met teksten die zich onder meer tegen politiegeweld richten.

Het waren vooral jongeren die eind 2010 en begin 2011 de leiding namen bij het vreedzaam omverwerpen van de dictatuur van president Ben Ali. Ze waagden hun leven voor vrijheid, meer banen en een betere behandeling en vertrouwden erop het onder een democratie beter te krijgen.

Lees ook Op het plein waar de Arabische Lente begon, is de revolutie al vergeten

„Vanaf het begin heb ik meegedaan aan de revolutie”, zegt de 33-jarige Hazem Nciri in de rommelige hoofdstraat van Sidi Bouzid, het arme stadje waar de Tunesische opstand begon na de zelfverbranding van fruitverkoper Mohamed Bouazizi. „Ik had geen werk en ik verwachtte dat er werkgelegenheid zou komen als het corrupte systeem van Ben Ali stopte. Ik wilde werk en een waardig bestaan. Maar ik ben nog steeds werkeloos.” Hoewel er al weer maanden overal in het land antiregeringsmanifestaties plaatsvinden, doet Nciri niet meer mee. Hij wil naar het buitenland, weg uit zijn haveloze buurt, waar niets veranderd is.

Verraden

Tien jaar na de machtswisseling voelen de revolutionairen van toen zich verraden door de elkaar opvolgende regeringen van na 2011. Het is moeilijk iemand onder de 40 te vinden die níet weg wil uit het eigen land. Ook Rapper Khemiri meldt herhaaldelijk zo snel mogelijk te willen vertrekken. „Net als veel van mijn vrienden. Hier is het geen leven”. Sommigen van zijn vrienden zijn onderweg verdronken in de Middellandse zee.

 
‘It’s The Sound Of Da Police’ uit 2011 van Malek Khemiri’s groep Armada Bizerte


 

„Veel jongeren keren zich van de politiek af”, zegt Sami Zemni, een Tunesië-expert die is verbonden aan de Universiteit van Gent. „Er is een grote groep die het een beetje opgeeft. Ze proberen wel werk te krijgen maar alles mislukt steeds en ze krijgen het gevoel dat alle deuren van de maatschappij dicht blijven voor hen. Ze denken dan nog maar aan één ding: hoe kom ik weg, naar Europa?” Niet voor niets gaan tegenwoordig jaarlijks circa 100.000 jongeren voortijdig van school af. Wat heeft leren voor zin, wanneer er toch geen werk is te vinden?

Mouna Fakhar (23), een vrolijke jonge vrouw, wil ook weg. „Ik heb mij gespecialiseerd in het ontwerpen van verpakkingen omdat Tunesische bedrijven langzaam het nut van marketing beginnen in te zien. Inmiddels mik ik op een baan in het buitenland en volg ik zelfs een cursus Chinees.” Fakhar komt uit de middenklasse. Ze woont nog bij haar ouders in een ruime bovenwoning in La Marsa, een welvarende voorstad van Tunis aan de Middellandse Zeekust. Ze heeft gestudeerd aan een school voor design en binnenhuisarchitectuur. „Hoe dan ook wil ik naar Europa of China, want die lopen voor in mijn vakgebied. Door YouTube weet ik hoe het er in andere landen aan toegaat. Er is een groot verschil met Tunesië. Je wordt er eerlijk behandeld, niet afgesnauwd. De betaling is veel beter en er is meer waardering voor je werk.”

Krakkemikkig bootje

In een krakkemikkig bootje naar Italië zullen Khemiri en Fakhar niet gauw stappen. Zij zijn in de positie met wat geluk ergens legaal een baan te vinden. Veel armere jongeren weten dat ze dat kunnen vergeten en gokken op de bootjes. Volgens vluchtelingenorganisatie UNHCR lukte het tussen 1 januari en 8 november vorig jaar 11.212 Tunesiërs Italië te bereiken, ruim vier keer zoveel als in dezelfde periode in 2019. Daarmee maakten de Tunesiërs ruim een derde uit van alle migranten die in Italië werden geregistreerd.

Lees ook Lukt het Tunesiër Hatem bij de tiende poging om Italië te bereiken?

Vooral in de achtergebleven streken in het binnenland is de toestand in economisch opzicht alleen maar slechter geworden. „In Kairouan zit zeker 34 procent van de jongeren zonder werk”, zegt een functionaris van de grootste Tunesische vakbond UGTT in deze oude provinciestad van zo’n 140.000 inwoners. „Er lopen hier 13.000 afgestudeerden rond die geen werk kunnen vinden.” De twintigers van nu zitten in hetzelfde schuitje als de jongeren die in 2010 bij de protesten voorop liepen, dertigers inmiddels.

Hazem Nciri (33) uit Sidi Bouzid. Foto Faïrouz ben Salah

Sociaal contract

De regeringen van na de revolutie hebben het af laten weten, menen veel analisten. Ze hebben hun tijd verdaan met debatten over religie en identiteit. Daardoor is er van de doelstellingen van de revolutie niet veel terechtgekomen. Bureaucratie en corruptie zijn ook grote obstakels. Jongeren zouden makkelijker kredieten moeten krijgen van staatsbanken, wanneer ze met een goed plan voor een project bij hen aankloppen. En de regering zou een dialoog op gang moeten brengen over een nieuw ‘sociaal contract’ met de samenleving, waarbij welvaart en kansen eerlijker verdeeld worden. Vooral het achtergebleven binnenland zou daarin een groter aandeel moeten krijgen. Maar de Tunesische overheid staat op het randje van faillissement en leunt al sterk op kredieten van het Internationaal Monetair Fonds, dat juist niet wil dat de overheidssector groeit.

Op haar eigen manier probeert Olfa Arfaoui (37) iets te doen voor jongeren. Ze heeft een cursus opgezet voor jonge vrouwen om disc jockey te worden, een novum in de nog tamelijk traditionele islamitische samenleving. Tot nu deden zo’n vijftig meisjes eraan mee, overwegend uit de middenklasse. „De meesten van de jonge generatie dromen van een toekomst in een ander land en hebben alle hoop verloren. Maar je kunt ook dromen om van Tunesië een beter land te maken”, zegt ze.

Actie is hoe dan ook geboden. Nog eens tien jaar zo doorgaan is geen optie, waarschuwt Alaa Talbi, hoofd van FTDES, een organisatie die zich inzet voor sociaal-economische rechten. Hij ziet de tweede golf van protesten als een tweede revolutie „De jongeren verkeren in een staat van woede. De deuren van de overheid blijven steeds gesloten. Deze tweede protestgolf kan uitlopen op een strijd die gewelddadiger is dan de eerste van tien jaar geleden.”

Mouna Ghabi (20): ‘Het is wel bijna zeker dat ik geen baan zal vinden’,

Studente accountancy Mouna Ghabi Foto Faïrouz ben Salah

Met wat vriendinnen kuiert Mouna Ghabi (20), voorzien van een zwart mondkapje, opgewekt over de campus van de universiteit van Kairouan, die zich net buiten de indrukwekkende oude stadsmuren van de stad bevindt. De namiddagzon verspreidt een milde warmte en veel van hun medestudenten zitten deze woensdagmiddag nog gezellig op bankjes buiten te praten.

Mouna komt uit een plaatsje op het platteland, een half uur rijden van Kairouan. Ze studeert accountancy, een praktische studie waar in de meeste landen altijd vraag naar is. Zo niet in Tunesië. „Het is wel bijna zeker dat ik geen baan zal vinden”, vertelt ze, half in het Arabisch en half in het Frans. „Ik hoef alleen maar te wijzen op mijn zes oudere zussen die allemaal een diploma hebben. Niet één van hen heeft nog werk. Sommigen zijn intussen getrouwd, de rest zit thuis te niksen in de huiskamer.” Waarom is het zo moeilijk een baan te krijgen? „Je moet contacten hebben en iemand kennen die als kruiwagen kan dienen en dat heeft mijn familie niet”, vertelt ze. „De meeste mensen hebben dat niet.” Desondanks geeft ze zich niet bij voorbaat gewonnen. „In elk geval wil ik mijn studie afmaken, daarna zie ik wel verder.“

Erg enthousiast over de democratie, die sinds tien jaar in haar land bestaat, is ze niet. „Het betekent bijna niets voor me”, zegt ze. „Als het niet tot een verbetering in het leven van de mensen leidt, wat heeft het dan voor zin om over democratie te praten? Ze praten wel over vrijheid maar alles is eigenlijk verder gebleven zoals het was. Veel rechten bestaan in de praktijk niet. Er is nog altijd veel geweld en er zijn ook verkrachtingen. ”

Zoals bijna alle jongeren in het land, ziet ze haar toekomst in het buitenland. „Ik reken erop dat ik zal emigreren uit Tunesië. In mijn dorp ken ik ook mensen die al zijn vertrokken. Wanneer er een gelegenheid is, vertrek ik.” Haar grote droom blijft om een goede baan als accountant bij een bank in de wacht te slepen, ‘bij voorkeur in Italië of een ander Europees land’.

Aziz Haddadi (18): ‘Emigreren is mijn enige droom’

Aziz Haddadi maakte zijn school niet af en is werkeloos Foto Faïrouz ben Salah

Aziz Haddadi (18) zit op een muurtje voor zich uit te staren. Voor hem ligt een stenige vlakte, vol rotzooi. Een handvol geiten scharrelt tussen het vuil. We staan in de arme wijk Al Menchia in Kairouan, vanouds een belangrijk islamitisch centrum maar ook hoofdplaats van een van de meest achtergebleven gebieden in het land. Al Menchia is een stoffige wijk met deels onverharde straatjes vol aftandse auto’s en ezelskarretjes.

Zoals gewoonlijk heeft Aziz, zoon van een vrachtwagenchauffeur en een vrouw die een kraampje in de soukh drijft, niets te doen. Na drie jaar is hij voortijdig gestopt met zijn middelbare school. „Belangstelling om verder te studeren heb ik totaal niet”, zegt hij met stelligheid in het Arabisch. „Werk is er toch niet”. Hij verwijst naar zijn broer die wel zijn school heeft afgemaakt maar nu ook zonder werk zit, zoals de meeste jongens van zijn leeftijd in de wijk.

„Dat we geen werk hebben, komt door onze armoede”, legt hij uit, terwijl hij een sigaret opsteekt. Aan mondkapjes wegens corona doen maar weinigen in deze wijk. Ze hebben al voldoende andere problemen. Hulp van buitenaf, bij voorbeeld van een vakbond of de overheid, krijgen ze volgens Aziz nooit. „Tunesië is helemaal kapot, elke dag krijgen we te maken met provocaties van de politie en verder is er voor ons alleen maar werkloosheid en wanhoop.”

Sommige jongeren zoeken hun heil in religieuze radicalisering maar daar voelt Aziz niets voor. Hij kent ook geen jongens die het in die richting zoeken, zegt hij.

De politie heeft ook Aziz al eens aangehouden, toen ze hem ervan verdachten een telefoon te hebben gestolen. Maar de eigenaar kwam de agenten later vertellen dat Aziz de dief niet kon zijn geweest, waarop hij werd vrijgelaten. „Zo gaat het steeds”, zegt Aziz, die inmiddels gezelschap heeft gekregen van nieuwsgierige buurtgenoten, onder wie een vriend wiens scooter vier dagen eerder door de politie in beslag is genomen.

Denkt Aziz wel eens aan emigratie? „Natuurlijk doe ik dat”, zegt hij. „Komende zomer ga ik proberen om illegaal Europa binnen te komen, het doet er niet toe naar welk land. Emigreren is mijn enige droom. Al mijn vrienden willen dat ook.”

Correctie (11 januari 2021): Sidi Bouzid ligt niet in het zuiden van Tunesië, zoals hier eerder stond, maar in het centrum van het land.