Het is dringen bij de noodopvang op scholen: veel meer ouders vinden hun werk ‘cruciaal’

Scholensluiting Na de eerste volle onderwijsweek van dit jaar vallen twee dingen op: online lesgeven gaat soepeler dan tijdens de vorige lockdown, maar de noodopvang puilt uit.

Noodopvang bij basisschool Jeroen in Den Haag.
Noodopvang bij basisschool Jeroen in Den Haag. Foto Bart Maat/ANP

Klussen in huis? Géén geldige reden om je kind naar de noodopvang van school te brengen. Tijd voor jezelf nodig? „Begrijpen we, maar wij vragen u dat op dit moment anders te regelen.”

Directeur Patrick van der Spek van basisschool De Regenboog in Voorschoten schreef het deze week in een dringende mail aan ouders, nadat zijn school werd overspoeld met aanmeldingen voor de noodopvang.

De Regenboog, 345 leerlingen, ving deze week elke dag tussen de dertig en zestig leerlingen op. Twee keer zoveel als tijdens de vorige lockdown, in het voorjaar van 2020. Zijn brief had effect, zegt Van der Spek. Een aantal ouders trok het verzoek weer in. Maar voor volgende week staat de teller alweer op 67 kinderen. Hij begrijpt het wel. „Ouders zitten in een spagaat. Ik krijg ze soms wanhopig aan de telefoon: ‘Pat, alsjeblieft, help ons, we móeten aan het werk, we zíjn geen leerkrachten’.”

Basisscholen mogen twee groepen leerlingen opvangen tijdens de lockdown: de ‘kwetsbare’ leerlingen die thuis niet de rust of ondersteuning krijgen die ze nodig hebben én de kinderen van ouders in zogeheten cruciale beroepen, zoals de zorg, het onderwijs en supermarkten.

Deze week zat gemiddeld 16 procent van het totaal aantal leerlingen in de noodopvang, blijkt uit een peiling van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) onder ruim duizend directeuren van basisscholen. Daarbij gaat het in 11 procent van de gevallen om kinderen van ouders met een cruciaal beroep: een ruime verdubbeling ten opzichte van de vorige lockdown.

Volgens de officiële richtlijnen hebben leerlingen recht op een plek in de noodopvang als een van beide ouders een cruciaal beroep heeft. Maar die regel wordt door ouders dit keer „wat ruimer geïnterpreteerd”, merkt Mini Schouten, bestuurder van een koepel van basisscholen in de Achterhoek. „Ouders lijken minder geneigd om thuis te werken en voelen zich ook minder verantwoordelijk om zelf een alternatief te vinden.”

Ook Van der Spek ziet dat „sommige ouders hun fantasie gebruiken om aan te tonen dat ze een cruciaal beroep hebben en eisen dat hun kind naar school kan”.

Hoe dat komt? „Ze zijn er klaar mee. En dat snap ik heel goed.”

Directeur Gerard van Vliet van Basisschool Jeroen in de Haagse Spoorwijk – meer dan twintig kinderen in de noodopvang, twee keer zoveel als in het voorjaar – hoort van ouders dat werkgevers dit keer ook meer druk uitoefenen om tóch naar het werk te komen. Zijn school kan de aanvragen nu nog aan, „maar als we richting dertig gaan, wordt het problematisch”.

Fysiek én virtueel les

Lobke Vlaming, directeur van belangenorganisatie Ouders&Onderwijs, herkent het beeld. Ze combineert haar werk zelf ook met thuisonderwijs, aan twee kinderen in groep 3 en 5, en weet: dat valt niet mee. Haar organisatie kreeg de afgelopen dagen tientallen telefoontjes van ouders die worstelen met de scholensluiting.

Het is dit keer echt anders dan in het voorjaar, zegt ze. „Toen was er een totale crisissfeer, de hele maatschappij stond stil. Nu zijn mensen minder bang om ziek te worden en doen werkgevers vaker een beroep op ouders om toch te komen werken.” Vlaming pleit voor extra verlofdagen, omdat het voor werkende ouders „eigenlijk niet te doen is”.

Lees ook: Door de sluiting van de scholen groeide de kloof

Scholen hanteren intussen hun eigen regels om de aantallen voor de noodopvang binnen de perken te houden. Bij sommige scholen zijn leerlingen alleen welkom op de noodopvang als beide ouders een cruciaal beroep hebben. En waar de ene school wel een uitzondering maakt voor leerlingen in groep 8, schrijven andere scholen aan ouders dat de noodopvang vol zit, ook voor die groep.

Leerlingen die wel op school terecht kunnen, worden in de meeste gevallen in kleine groepjes verdeeld over de lokalen en begeleid door vakdocenten van gym en muziek, stagiairs en intern begeleiders. De vaste leerkrachten geven hun eigen groepen online les en hebben geen tijd om andere leerlingen te begeleiden.

Soms wordt er een handige combinatie gemaakt. Neem groep 7 van De Witte Vlinder in Arnhem, waar meester Berrie van den Bovenkamp achter een statafel staartdelingen uitlegt aan 22 kinderen die vanuit huis ijverig hun wisbordjes voor de camera houden.

Noodopvang bij basisschool Jeroen in Den Haag.

Foto Bart Maat/ANP

Twee leerlingen, Christiano en Fajr, zitten fysiek in het lokaal, omdat ze zich thuis niet goed kunnen concentreren. „Rekenen is mijn vijand”, zegt Christiano. „Maar op school gaat het beter dan thuis.”

De Witte Vlinder vangt twee keer zoveel leerlingen op in de noodopvang als in het voorjaar, zegt directeur Gerben Meerbeek. „We zijn een school in een achterstandswijk en zeiden aan het begin van de nieuwe lockdown tegen elkaar: eigenlijk zouden we alle leerlingen naar school willen halen, ze zijn allemáál wat kwetsbaar. Dat kan helaas niet.”

De school deelde Chromebooks – simpele laptops op Google-software – uit aan alle leerlingen en heeft, meer dan de vorige keer, iedereen „goed in beeld”, zegt Meerbeek. „Begin deze week was er een meisje van de radar, maar zij doet inmiddels ook weer mee.”

‘Laat je fruit eens zien’

Volgens meester Berrie van den Bovenkamp is het online lesgeven dit keer wel een stuk beter te doen. „In het voorjaar liep het systeem voortdurend vast, nu is de infrastructuur veel beter. Alles draait. Bovendien weten leerlingen veel beter wat ze moeten doen.”

„Meester!”, roept een leerling vanaf het beeldscherm. „Meester, ik snap het niet!”

„Ho, hier gaat iets mis”, zegt Van den Bovenkamp. „Iemand houdt zich niet aan de afspraak. Eerst een handje opsteken, Levine, dan pas je vraag stellen.”

Leerlingen die de instructies snappen, mogen in kleine groepjes online verder werken. Aan de rest legt Van den Bovenkamp onvermoeibaar uit hoe je ‘komma-getallen’ kunt delen door een heel getal.

Tijdens de vorige lockdown werd de klas in drieën gesplitst en gaf Van den Bovenkamp drie keer dezelfde lessen. De leerlingen kregen alleen de kernvakken, zoals rekenen en spelling. Nu krijgt de hele klas tegelijk les en houdt Van den Bovenkamp het normale rooster aan. De dag begint dus gewoon om half negen met lezen en rekenen en er is, net als anders, een uur om buiten te spelen en een fruitpauze waarin de leerlingen naar Het Klokhuis kijken en hun fruit eten.

„Laat je fruit maar even zien”, zegt Van den Bovenkamp om kwart over tien. Bananen, appels en Danoontjes verschijnen in beeld. „Hé, Enes, zijn dat aardappels? Eet smakelijk!”

Eén wachtwoord is genoeg

Het online onderwijs loopt soepeler dit keer, zeggen vrijwel alle scholen, en dat blijkt ook uit de peiling van de Algemene Vereniging Schoolleiders. Zo heeft 93 procent van de scholen alle leerlingen nu in beeld. Tijdens de vorige periode van lockdown was dat na een paar weken 80 procent.

Scholen hebben met vallen en opstaan in het voorjaar geleerd wat werkt en wat niet. „Vooral als het gaat om digitale vaardigheden is er een enorme slag gemaakt”, zegt Mini Schouten. „De apps worden beter en meer gebruikt. Er zijn nog maar heel weinig scholen die met pakketjes boeken slepen.”

Lees ook: Vijf lessen na twee maanden thuisonderwijs

„Tijdens de vorige lockdown had ik soms wel vijftien wachtwoorden nodig om mijn kinderen aan het werk te krijgen”, zegt Lobke Vlaming van Ouders&Onderwijs. „Nu is één wachtwoord genoeg. Ideaal.”

Zelf heeft ze de combinatie werk en kinderen ook beter georganiseerd. „In het voorjaar probeerden mijn partner en ik allebei volledig te werken en tussendoor de kinderen te begeleiden. Dat gaat dus niet. Nu verdelen we de week: hij helpt de kinderen een paar dagen, ik neem de andere dagen voor m’n rekening. Dat is een stuk beter te doen én de kinderen weten waar ze aan toe zijn.”

Directeur Patrick van der Spek hoopt, net als de andere directeuren, „natuurlijk” dat de scholen over een ruime week weer open mogen. Online onderwijs blijft suboptimaal, vindt hij. „Maar ik zie dat het hartstikke goed gaat. Daar ben ik apetrots op.”