Reportage

Feestelijk struinen tussen de mesthopen

Millingerwaard Paardenvijgen en koeienvlaaien wemelen van het leven. Maar ontwormingsmiddelen voor vee zijn een gevaar.

Illustratie Jeroen Helmer/ARK Natuurontwikkeling

Enthousiast knielt Jeroen Helmer neer bij een koeienvlaai. „Kijk naar die snavelgaatjes! Duidelijk gemaakt door een lijster. Een kraaiensnavel is veel grover, die haalt de poep echt overhoop.”

We lopen door een regenachtige Millingerwaard, een uiterwaardengebied ten oosten van Nijmegen. In de verte passeert een groepje zwarte Galloway-runderen: de producenten van deze mest. „Maar deze vlaai is al wat ouder. Lijsters komen er pas op af als de poep enigszins is ingedroogd.”

Helmer is al zo’n dertig jaar natuurtekenaar én projectmedewerker bij ARK Natuurontwikkeling. Zo maakte hij voor het project ‘Poep moet leven’ een illustratie waarop te zien is wat er allemaal in en op paardenvijgen en koeienvlaaien leeft.

Op gezónde poep tenminste. Want eind december publiceerde Helmer samen met landbouwkundige Jelmer Buijs een ARK-rapport over de toestand van grotegrazermest in natuurgebieden. Sommige koeien en paarden krijgen van boeren ontwormingsmiddelen toegediend, en dat is funest voor de biodiversiteit. „Als die grazers vervolgens in de vrije natuur lopen dan poepen ze de anti-parasitaire middelen gewoon weer uit. En dat is chemisch spul hoor – sommige stoffen blijven maandenlang werkzaam.”

In ten minste drie van de 41 poepmonsters die Helmer en Buijs verspreid door het land lieten nemen, zaten ontwormingsmiddelen. „Misschien nog wel in meer monsters. Maar onze apparatuur was niet gevoelig genoeg om heel kleine hoeveelheden te meten. Dit jaar hopen we een betere methode te kunnen toepassen en het onderzoek op te schalen, want die uiterst schadelijke gifstoffen worden kennelijk nog steeds toegediend.”

Illustratie Jeroen Helmer/ARK Natuurontwikkeling, bewerking Studio NRC

Vrijwel alle insectengroepen sterven bijvoorbeeld al bij concentraties van 27 microgram eprinomectine per kilo mest. Dergelijke concentraties worden soms zelfs vijf maanden na toediening van het middel nog gehaald, zegt Helmer. Extreem lage concentraties – nanogrammen zelfs – zijn al schadelijk voor bepaalde insectengroepen. „Kijk je bijvoorbeeld naar het middel ivermectine, dat op het zenuwstelsel van insecten inwerkt, dan is bekend dat 1 microgram per kilo verse mest al giftig is voor strontvliegen. En mestkeverlarven hebben in mest van met ivermectine behandelde dieren de helft van het gewicht van normale mestkeverlarven.”

Minder leven in de poep is nadelig, zowel voor de soortenrijkdom als voor de verspreiding van de mest. „Als er minder vliegenmaden en keverlarven in de poep voorkomen, dan is er minder voedsel voor poepeter-predatoren, zoals dassen, vossen en diverse vogels. En bovendien wordt de mest minder snel afgebroken bij lagere aantallen poepeters. Daardoor komen er minder voedingsstoffen in de grond, en dus is de bodem minder vruchtbaar voor vegetatie. Zo hebben de ontwormingsmiddelen invloed op vrijwel het hele ecosysteem.”

Hoe desastreus een gebrek aan poepverwerkende insecten kan zijn, bleek in de jaren vijftig al in Australië. Daar was op grote schaal Europees vee geïntroduceerd, maar hun mest kon niet door de plaatselijke mestkevers worden verwerkt. En dus bleven de keutels en vlaaien liggen, en moesten er uiteindelijk Europese en Afrikaanse mestkevers worden ingevoerd om het probleem op te lossen.

Een paar kleine strontvliegmaden

Gelukkig is de situatie in de Millingerwaard een stuk rooskleuriger. Hier grazen de galloways en de konikpaarden het hele jaar rond, en krijgen ze alleen bij hoge uitzondering ontwormingsmiddelen toegediend. Helmer blijft staan bij een bruin verdord plantje. „In de zomer kleurt de Millingerwaard geel van dit boerenwormkruid. De naam zegt het al: deze soort werd vroeger door boeren aan het vee gegeven om ze parasietvrij te houden. Als de dieren last hebben van wormen, kunnen ze zelf van deze planten eten. Hun poep blijft dan gewoon aantrekkelijk voor de mestinsecten.”

Met Helmer tussen de mesthopen struinen is een feest. Om de paar meter knielt hij neer bij uitwerpselen. „Hier zie je een hengstenlatrine: verschillende konikpaarden hebben hier hun vijgen achtergelaten. Door die poephoop te besnuffelen kunnen de mannetjes elkaar beter inschatten: wie heeft er veel testosteron? Zo tonen ze hun dominantie.” Konikpaarden hebben een slecht verteringsstelsel, zegt hij, en moeten de hele dag door grazen om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. „Dat betekent ook dat er voor insecten nog volop lekkers uit de poep te halen valt.”

Op een warme zomerdag kom je soms al op duizenden mestkevers per vlaai uit

Jeroen Helmer natuurtekenaar

Helmer roert wat met een stuk hout door de latrine. „Normaal doe ik dat zo min mogelijk, om de larven niet te verstoren. Maar in deze hoop is toch al flink gewroet, door dassen waarschijnlijk.” We zien geen enkele mestkeverlarve; alleen een paar kleine strontvliegmaden.

Verderop hebben we meer geluk. Helmer, wroetend tussen de vijgen: „Daar! Een paar lekker dikke larven.” Hij wijst naar twee vaalwitte wormpjes, opgekruld tot de letter C. „Dit zijn veldmestkeverlarven. Dat zie je aan hun vorm en hun bruine kop en witgrijze lijfje.” Mestkevers zijn er in drie groepen, licht hij toe. „Allereerst heb je de tunnelaars, die de poep inbrengen in een zelfgegraven tunneltje en er dan een eitje in leggen. Daarnaast zijn er de veldmestkevers, die echt de poep ingaan, en de pillendraaiers. Die laatste groep – die van die kenmerkende ronde mestballetjes fabriceren en voortduwen – zie je niet in Nederland. Maar van de andere groepen heb je tientallen soorten.”

Duizenden mestkevers per vlaai

Hoeveel verschillende poepeters je in één koeienvlaai of hengstenlatrine kunt aantreffen durft Helmer niet met zekerheid te zeggen. „Maar qua dichtheden kom je op een warme zomerdag soms al op duizenden mestkevers per vlaai uit.”

In de winter zijn de aantallen lager, al kunnen de temperaturen binnen in de mesthoop nog steeds zomers aanvoelen. „Verse poep heeft een temperatuur van zo’n 30 graden Celsius. Net iets lager dan de lichaamswarmte van het dier. Maar bacteriën zorgen voor broei in de poep. Daardoor kunnen temperaturen oplopen tot wel 60 graden Celsius.’

De mest vormt niet alleen een gunstige leefomgeving voor insecten en bacteriën, maar ook voor paddenstoelen. Helmer hurkt neer bij een koeienvlaai met roestbruine speldenknopjes: „Dit zijn oranje mestzwammetjes. Die komen vaak in de poep terecht doordat hun sporen op planten landen, en die planten vervolgens worden opgegeten en uitgepoept. De schimmelsporen kunnen daartegen.”

Begin december publiceerde ARK samen met FREE Nature en Het Zeeuwse Landschap een bericht op website Nature Today over de zeldzame paddenstoelensoorten die waren gevonden op konikpaardenvijgen (en in mindere mate op koeienvlaaien) in de Slikken van de Heen, een natuurgebied in Zeeland. De valse witte mestinktzwam en de geringde inktzwam bijvoorbeeld – aangemerkt als ernstig bedreigd. Andere poëtisch klinkende soorten die werden aangetroffen waren de dooiergele mestzwam, het paardenvijgbreeksteeltje, het klein mestplooirokje en het keutelkaalkopje.

Macabere dodendans

„Voor wie er oog voor heeft, bevat mest fascinerende soorten”, zegt Helmer. Een van zijn persoonlijke favorieten is de vliegendoder, een graafwesp die vooral in augustus rond de poep komt jagen. Ze besluipt haar slachtoffers van achteren en bespringt ze dan. Vervolgens verlamt ze hen met een steek van haar angel. In de kleine vliegen legt ze een eitje, zodat de larve daaruit zich tegoed kan doen aan levend, vers vlees. De grotere vliegen zet ze rechtop en voert er een macabere dodendans mee uit, waarna ze met haar kaken de sappen uit haar slachtoffers zuigt.” Wandelen door een landschap met poep, zo wil hij maar zeggen, is nooit saai.

„Zodra je weet waar je op moet letten gaat er een wereld voor je open: het is net een safari. Het allerleukste is om hier in de zomer eens terug te komen en dan een paar uur naast een verse vlaai gaan zitten. Je kijkt je ogen uit.”