Opinie

Aan het front van de wetenschap hoeft niet alles netjes te zijn

Martin Veltman

Commentaar

Eigenzinnig en geniaal, die typeringen passen perfect bij de afgelopen maandag overleden Martin Veltman (1931-2021), natuurkundige en Nobelprijswinnaar (in 1999). Hij was ook „een inspirerend docent”. Allemaal termen die ook gebruikt kunnen worden in functieomschrijvingen in Nederlandse onderzoeksinstituten. Maar dan. Wat te denken van „recht voor zijn raap”, waarmee Veltman ook getypeerd wordt. En „een beetje ruig en erg kritisch”, zoals valt te lezen in de treffende necrologie die Margriet van der Heijden over hem schreef. „Mopperend briljant”, stond er ooit boven een interview met hem. „Commissies zijn niks voor mij”, zei hij daarin, „ik krijg al gauw met iedereen ruzie.”

Lees ook de necrologie: Een voor Nederland te uitgesproken gigant

Botheid, cowboylaarzen en motorrijden zijn absoluut geen voorwaarden voor een Nobelprijs. Natuurlijk niet, dat heeft de wellevende en fietsende Ben Feringa (Nobelprijs scheikunde, 2016) wel laten zien. Toch is het goed om in de week van het overlijden van deze self-made man uit Baardwijk (NB), Martinus Justinus Godefriedus ‘Tini’ Veltman, even stil te staan bij het ideaalbeeld van de wetenschapper. Want met alle sublieme kwaliteiten van de Nederlandse wetenschapscultuur, zijn ruimte voor eenlingen en tolerantie voor afwijkingen van de sociale norm niet de best ontwikkelde eigenschappen – om het diplomatiek te zeggen. Na vijftien jaar hoogleraarschap in Utrecht vertrok Veltman al in 1981 naar de universiteit van Michigan in Ann Arbor. Hij was het „correcte academische milieu” en „het linkse gedoe” in Nederland een beetje zat, zei hij er zelf over. En die andere eigenzinnige Nederlandse Nobelprijswinnaar (2010) en ontdekker van het grafeen, Andre Geim, vertrok in 2001 al na zeven jaar hoogleraarschap in Nijmegen naar Manchester. In Nederland was veel te veel hiërarchie, vond Geim.

Zonder regels en normen komt niks tot stand, maar juist aan het front van de wetenschap hoeft niet alles netjes en ‘correct’ te zijn. Gedrevenheid is veel belangrijker, en dat maakt het levensverhaal van Veltman een voorbeeld voor iedereen: keihard werken, je eigen neus volgen en je niet van de wijs laten brengen door een ander. Zó wist Veltman uiteindelijk met zijn ‘IJktheorie’ een revolutie in de elementaire-deeltjesfysica tot stand te brengen, samen met zijn al even geniale maar introvertere promovendus Gerard ’t Hooft. Je schijnt hun werk ook ‘renormalisatie van het Yang-Millsprincipe’ te mogen noemen, maar belangrijk is dat het de basis vormt van het inmiddels bijna heilige ‘Standaardmodel’ waarin alle bekende en ook zelfs nog niet ontdekte elementaire deeltjes met elkaar in verband worden gebracht en geordend. Een soort periodiek systeem van het allerkleinste, je kan het ook de basis van de bekende werkelijkheid noemen.

Veltmans briljante denk- en rekenkunsten werden verricht op een pad vol doornen en stekels. „Ik stond met dat werk totaal alleen in 1970. De mensen maakten me uit voor gek”, zei Veltman erover. Maar toen in 1975 de waarde ervan erkend werd, leek het alsof „de hele wereld aan het onderwerp gewerkt had”. Veltmans eigen naam verdween zelfs naar de achtergrond, zei hij er over. „Dat was niet makkelijk, hoor. Dat was de zwartste periode van mijn leven.”

Goddank heeft Veltman de Nobelprijs gekregen waardoor zijn werk nooit meer vergeten zal worden. Het is ook erkenning dat botheid de ontdekking van sublieme orde niet in de weg hoeft te zitten.