Amin Maalouf

Leonardo Cendamo / Getty Images)

Interview

‘De beweging van het identiteitsdenken wordt overal ter wereld agressiever’

Amin Maalouf In zijn nieuwe essayboek maakt de Frans-Libanese denker Maalouf de balans op van zijn leven en de wereld. „De mensheid heeft gewoonten aangenomen die achterhaald zijn, we kunnen niet zo doorgaan.”

Nee, een vrolijk boek is het niet. Maar lucide is het wel. „Het is nu eenmaal de realiteit”, zegt Amin Maalouf via Zoom, vanuit Parijs. „We zitten op de Titanic en varen recht op die ijsschots af.” In Schipbreuk der beschavingen, de opvolger van De ontregeling van de wereld (2009) en Moorddadige identiteiten (1998), maakt de Frans-Libanese schrijver, denker en lid van de Académie Française de balans op: van de wereld, van zijn persoonlijke parcours, van de eventuele toekomst. Onlangs publiceerde hij bovendien een nieuwe roman Nos frères inattendus, die verder gaat waar zijn essay ophoudt.

‘Ik ben in goede gezondheid geboren in de armen van een stervende beschaving’, luidt de eerste zin van zijn essayboek. Maalouf (1949) werd geboren in Beiroet, ‘de wereld van de Levant’. Hij zag Egypte, het paradijs van zijn moeder, in vlammen opgaan; Libanon, het land van zijn vader, is een schaduw van wat het ooit was. Hoe kon hij bevroeden, schrijft hij, dat de tragedies van het Midden-Oosten zo besmettelijk zouden zijn; en dat de morele en politieke neergang zich met zoveel kracht zou verspreiden! Dr Jekyll werd Mr Hyde.

U wilde onderzoeken in hoeverre uw geboorteland Libanon de bron is van de conflicten in de wereld. En?

„De conflicten daar zijn uitgewaaierd naar de rest van de wereld. Het terrorisme, het religieus fanatisme vinden er hun oorsprong. Die hebben veel landen dramatisch beïnvloed en de situatie overal ter wereld veranderd. De migratiekwestie veroorzaakt in Europa veel spanningen, nog een fenomeen dat zijn oorsprong vindt in mijn geboorteregio. In mijn tijd was Beiroet het intellectuele en economische centrum van de Arabische wereld. Nu is er niets meer van over.”

Twee jaartallen zijn volgens u beslissend geweest in de geschiedenis van het Midden-Oosten. Het eerste is 1967, het jaar van de Zesdaagse Oorlog. Het tweede is 1979, ‘het jaar van de grote ommekeer’.

„Na de oorlog in 1967 was het Arabisch nationalisme van Nasser verdwenen. Politieke leiders raakten hun geloofwaardigheid kwijt. Bewegingen die tot dan toe ondergronds opereerden kwamen op: het ideologisch islamisme, het gewelddadige politieke fundamentalisme. Rond 1979 gebeurt er in de wereld een aantal dingen die dezelfde richting opgaan. In de moslimwereld wordt de Islamitische Republiek Iran gesticht. In het Verenigd Koninkrijk komt Margaret Thatcher aan de macht, in naam van wat zij noemt de conservatieve revolutie – dat zijn dus tegelijkertijd twee conservatieve revoluties, die heel verschillend zijn, maar wel overeenkomsten hebben. In de Arabische wereld leidt identitaire onrust tot een sociaal traditionalistisch, maar politiek radicaal islamisme. In het Westen vindt er een revolutie plaats van de rijken tegen de armen.

„Overal in de wereld zien we bewegingen die de fundamenten van wat we oorspronkelijk revolutie noemden ondermijnen. Die nieuwe krachten attaqueren wat men vroeger progressief noemde, links. Rond 1979 worden de conservatieve krachten revolutionair, terwijl de traditioneel revolutionaire krachten in het defensief gaan. En daar zitten ze nog steeds.”

U bestrijdt in uw werk altijd de fixatie op identiteit, het was het onderwerp van uw essay ‘Moorddadige identiteiten’. We zitten nu in een tijd van ‘wij’ tegen ‘de ander’, van enorme polarisatie. Komt dat volgens u hieruit voort?

„De beweging van het identiteitsdenken wordt overal ter wereld agressiever. Dat gaat vaak ten koste van een internationale visie, zelden is er nog oog voor de waarden van de gemeenschap als geheel. Tegelijkertijd neemt het wantrouwen ten opzichte van de internationale instituties toe. We beleven een tijd van verbrokkeling, van versnippering, waarin het moeilijk is samen te leven. Bij een pandemie is het onderlinge wantrouwen zo groot dat Europese landen elkaar geen mondkapjes sturen – het is ieder voor zich. Absurd. De conservatieve bewegingen die ik noemde verscheuren het sociale weefsel, nationaal en internationaal.”

U constateert dat het identiteitsdebat overal wordt aangemoedigd, waarbij genuanceerde stellingnames gelden als naïef en zelfs als verdacht. U noemt daarbij ook Nederland.

„Nederland behoort samen met de Scandinavische landen tot de pioniers op het gebied van openheid en tolerantie, het heeft een traditie als het gaat om het goed laten samenleven van verschillende groepen. De laatste decennia hebben we in die landen een verschuiving gezien. Men wist niet goed om te gaan met het terrorisme, het religieuze radicalisme en de migratieproblematiek. Links, dat een aantal universele waarden vertegenwoordigde, is niet in staat gebleken die overtuigend over het voetlicht te brengen. In plaats van te strijden voor universalisme en humanisme, in plaats van een nieuwe theorie en een nieuwe praktijk te ontwikkelen, werpt ze zich nu vaak op als woordvoerder van etnische of communautaire minderheden. Ze plaatst zich daarmee op het terrein van het conflict rond identiteit, het domein van de conservatieven. Dat is een vorm van capitulatie.”

In uw boek laat u niet alleen zien waarom u teleurgesteld bent in de Arabische wereld, uw teleurstelling geldt ook Europa.

„Het Europese project blijft de beste kans om de mensheid uit de impasse te halen. Europa heeft nu de capaciteit een volwassen grootmacht te worden en agressievere mogendheden – de VS, China – tot kalmte te manen. Europa kan de fundamenten leggen voor een nieuwe wereldorde. Maar dan moet ze exemplarisch zijn op het gebied van menselijke waarden en klimaat. Én ze moet een wereldmacht worden om internationaal gewicht in de schaal te leggen – met alle attributen die daarbij horen. Ik pleit voor een federaal Europa dat in staat is een eigen politiek te voeren en niet die van anderen te volgen. Enerzijds ontbreekt het Europa nu aan democratie, want geen enkel volk met democratische tradities kan zich identificeren met een niet-gekozen regering. Europa moet zijn leiders kiezen. Anderzijds is er sprake van een teveel aan democratie, omdat alle besluiten unaniem moeten worden genomen. Dat moet veranderen. Het zou Europa redden. En het zou Europa in staat stellen de wereld te redden. De wereld heeft een echte, volwassen democratische grootmacht nodig.”

Dat Big Brother ons nu overal in de gaten houdt komt door onze eigen angsten

In het laatste deel van uw essay verwijst u naar Orwells ‘1984’, waarin hij waarschuwt voor totalitaire regimes. U trekt een vergelijking met het heden: we doen zelf de deur open voor Big Brother.

„Orwell schreef het boek rond 1948, hij had het stalinisme op het oog, het nazisme. Maar dat Big Brother ons nu overal in de gaten houdt komt door onze eigen angsten; we zijn bang voor terrorisme, voor de pandemie, voor klimatologische fenomenen. We accepteren uit eigen vrije wil dat we onder toezicht staan, we hebben Big Brother vrijwillig in onze huizen en straten geïnstalleerd. De overheid mag weten hoe het met onze gezondheid gesteld is, ze mag al onze bewegingen vastleggen. We zien vrijwillig van onze vrijheden af. Daar had Orwell niet aan gedacht.”

In uw roman ‘Nos frères inattendus’ (‘Onze onverwachte broers’) wordt de wereld geconfronteerd met mensen die uit het niets lijken te komen en een hogere beschaving hebben. Ze grijpen in op het moment dat er op aarde een kernoorlog op uitbreken staat en zetten alles op aarde in één klap ‘on hold’. Ze hebben zich compleet anders ontwikkeld dan de mensen op aarde. Uw essay en uw roman vormen een echt duo.

„Ze gaan over dezelfde problematiek. Ik ben ervan overtuigd dat we ons middenin een schipbreuk van beschavingen bevinden. We staan tegenover iets dat we niet onder controle hebben. Dat idee houdt me al langer bezig. In mijn roman heb ik een situatie verzonnen waarin de schipbreuk zich daadwerkelijk voordoet. Je ziet de wereld tot stilstand komen. De mensen vragen zich af wat er van hun wereld overblijft. Dat resoneert met de tijd waarin we nu zitten. We zijn op het moment beland dat we ons moeten afvragen wat voor wereld we willen. De wetenschap en de techniek hebben grote hoogten bereikt, maar er is geen wereldorde meer die die naam waardig is. De wereld kan niet meer functioneren met landen die politiek bedrijven vanuit identiteitsdenken; dat leidt tot de ondergang. We hebben al onze verbeeldingskracht nodig om ons voor te stellen hoe de wereld eruit moet gaan zien, hoe hij geleid moet worden. De pandemie geeft ons een pauze, opdat we ons dat kunnen afvragen. We móéten onze manier van met elkaar omgaan veranderen, anders gaan we ten onder.”

Uiteindelijk stelt Electra, de leider van ‘de mensen van elders’ in uw roman, de mensheid voor een keuze: herziet ze haar prioriteiten of niet?

„Dat is het belangrijkste thema van de roman: hoe kunnen we in een andere richting gaan? Óf we blijven andere groepen mensen als onze vijanden beschouwen en gaan ten onder. Óf we spreken af dat wij, mensen met een verschillende achtergrond, verschillende etniciteit en dito geloof, ons verenigen tegenover gemeenschappelijke vijanden. Dat zijn er veel: pandemieën, de opwarming van de aarde, ga zo maar door. Hoe gaan we om met bedreigingen die ons allemaal aangaan? Hoe de wereld te organiseren zodat hij leefbaar is? Hoe ervoor te zorgen dat we niet doorgaan elkaar uit te moorden? Dat is de enige strijd die het vandaag de dag waard is gevoerd te worden.”