Recensie

Recensie Boeken

Waarom niet geloven in een zeemeermin?

Giuseppe Tomasi di Lampedusa ‘Alle praalzucht’ en ‘alle zonden’ zijn samengebald in de prins van Salina, hoofdpersoon in de vier verhalen, opgenomen in Mijn kindertijd dat nu opnieuw is uitgegeven.

De vier verhalen in Mijn kindertijd werden eind 2014 al vertaald en zijn nu opnieuw gepubliceerd. Goed idee. Deze verhalen van Giuseppe Tomasi di Lampedusa (1896-1957) verschenen destijds als bonus bij een nieuwe druk van De tijgerkat, zijn autobiografische roman over de tanende Siciliaanse adel. Ik merkte de publicatie van die verhalen toen niet op, en ik ben blij dat ik het nu wél merk. Ze werden sfeervol vertaald door Yond Boeke en Patty Krone, die zo te lezen genoten van Lampedusa’s literaire grilllen. Daarbovenop illustreerde Charlotte Schrameijer ze. Of liever, ze heeft ze geparafaseerd, ze echoot ze niet, ze treft ze, om te beginnen met het heraldische silhouet van een gekroonde jachtluipaard, de tijgerkat van het wapen van de Lampedusa’s en dus met de prins van Salina. Zijn schaduw strijkt inderdaad over alle vier verhalen. Niet uitvoerig, soms zit hij alleen te pokeren. In een ander verhaal leeft hij voort in een jonge nazaat die vaststelt dat ‘alle tijgerkattigheden’ in hem zijn samengebald: ‘alle praalzucht, alle zonden (…) alle onbetaalde lasten’.

Uiteraard is de prins niet weg te denken uit ‘Mijn kindertijd’, het lange verhaal dat de bundel opent. Lampedusa schreef het als reservoir voor De tijgerkat. Het is een schijnbaar chaotische duik in zijn kinderherinneringen. Aan de voorrechten, excentriciteiten, codes van zijn familie, aan hun uitzinnige maaltijden ‘met een dermate groot aantal gangen en zo’n overvloed aan sausen dat het bijna iets moorddadigs had’.

Hij herinnert zich hoe er bij een lange treinreis voor hem, de jongste, een aardewerken po werd aangeschaft die bij aankomst met inhoud en al uit het raam van de trein gegooid werd. Net zo gretig haalt hij zichzelf als iets oudere jongen voor de geest, op ontdekkingsreis door de driehonderd vertrekken van het voorvaderlijke paleis. Daar deed hij bijvoorbeeld de ‘apenkamer’ aan waar ‘ondeugende oeistiti-aapjes’ aan tropische kunstbomen bungelden. Waren die aapjes echt? Waarschijnlijk niet. Maar ik geloof lekker van wel, want Lampedusa schenkt me de mogelijkheid.

Het mooiste verhaal, ‘De sirene’, dobbert op het heimwee naar ‘het eeuwige Sicilië’ dat een verwaten ouwe classicus botviert op een jonge landgenoot. Hij onderwerpt hem aan liefdevolle scheldpartijen. En hij beloont hem met het genot van een zeemeermin. Dat kan niet, een zeemeermin, maar aan de andere kant: waarom niet? Waarom niet in haar geloven en wel meegaan in de waanzin van Lampedusa’s associaties en vergelijkingen? Want die zijn even adembenemend. Hij besluipt zijn lezers met zijn taal, hij vliegt in hun haar en klauwt zich vast via het adellijke ‘kaartenhuis van leugens’, ‘zo vol van vrouwendijen, van naamloze ontuchtigheden’ dat niemand zin heeft om het omver te blazen.

In de allerlaatste alinea van het laatste verhaal, ‘De blinde katjes’, duikt de Prins van Salina opnieuw op. Eventjes, want hij heeft haast, hij gaat naar de opera. Verdi’s La Traviata staat op het programma, en zeg nu zelf, amami Alfredo, ‘dat mag een mens toch niet missen’. Met joviale groet verdwijnt hij op de klanken van deze liefdes-aria – die eigenlijk een jammerklacht is. Giuseppe Tomasi di Lampedusa neuriet mee. Hij neuriet in al deze verhalen.